Einde inhoudsopgave
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/12.5.2
12.5.2 Artikel 4:126 Awb en schaduwschade
D.G.J. Sanderink, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
D.G.J. Sanderink
- JCDI
JCDI:ADS443825:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Omgevingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld het huidige art. 6.1 Wro, art. 15.20 Wm en art. 22 Tracéwet.
Zie Kamerstukken II 2010/11, 32 621, nr. 3, p. 14: ‘Titel 4.5 is van toepassing indien de schade wordt veroorzaakt in de rechtmatige uitoefening van een publiekrechtelijke bevoegdheid of taak. Dat betekent dat zowel schade door rechtmatige besluiten als schade door rechtmatige feitelijke handelingen onder het bereik van de regeling valt. Het égalitébeginsel geldt ongeacht de aard van de overheidshandeling die de gestelde schade heeft veroorzaakt.’ Zie ook p. 18: ‘De algemene grondslag betekent (…) dat er aanspraak bestaat op vergoeding van schade steeds indien het égalitébeginsel daartoe noopt, ongeacht de oorzaak van de schade.’
Tot dezelfde conclusie komen (voorzichtig) ook Van Ravels 2012, p. 368, Sluysmans 2012, p. 543 en Van den Broek 2011, p. 992. Vermoedelijk anders Van Ettekoven e.a. 2011, p. 67. Het is, zoals gezegd, niet uitgesloten dat de wetgever in de (thans nog niet bekende) aanpassingswetgeving toch alsnog (gedeeltelijk) zal vasthouden aan een limitatieve opsomming van rechtshandelingen die aanleiding kunnen geven tot schadevergoeding. In dit geval biedt art. 4:126 Awb (mogelijk) geen ruimte voor de vergoeding van schaduwschade.
In paragraaf 12.3 heb ik betoogd dat art. 1 EP naar mijn oordeel voor de schaduwschadesituaties 1, 2b en 3 een voorziening vereist. Art. 4:126 Awb dient verdragsconform geïnterpreteerd te worden, zodat het overeenkomstig de vereisten van art. 1 EP in schaduwschadesituaties 1, 2b en 3 een voorziening voor schaduwschade kan bieden. Zie over EVRM-conforme interpretatie en de grenzen daarvan paragraaf 2.8.
Wil het recht op onteigening of schadevergoeding in situaties van schaduwschade gebaseerd kunnen worden op artikel 4:126 Awb, dan is het noodzakelijk dat dit artikel zodanig geïnterpreteerd kan worden dat het het vergoeden van schaduwschade toelaat. Een grammaticale interpretatie van artikel 4:126 Awb laat het vergoeden van schaduwschade inderdaad toe. Op grond van dit artikel kan een bestuurorgaan immers een vergoeding toekennen voor schade veroorzaakt ‘in de rechtmatige uitoefening van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak’. Indien een bestuursorgaan derhalve schade veroorzaakt door de rechtmatige publicatie van een (beleids)voornemen, kan deze schade voor vergoeding in aanmerking komen. In zoverre wijkt artikel 4:126 Awb af van de thans nog geldende bijzondere schaderegelingen op grond waarvan slechts die schade vergoed kan worden die veroorzaakt is door bepaalde limitatief opgesomde rechtshandelingen van de overheid.1 Het is ook de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever dat, ongeacht de aard van de overheidshandeling, steeds een recht op schadevergoeding bestaat indien het égalitébeginsel daartoe noopt.2 Ook een wetshistorische interpretatie leidt dus tot het oordeel dat schaduwschade onder omstandigheden op grond van artikel 4:126 Awb voor vergoeding in aanmerking komt.3 Tot slot leidt ook een verdragsconforme interpretatie van artikel 4:126 Awb tot de conclusie dat dit artikel grond kan vormen voor het vergoeden van schaduwschade.4 De conclusie is dan ook dat dit artikel het vergoeden van schaduwschade toelaat.