Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.2.6
4.2.6 Art. 29 Wet OB 1968 (vanaf 2017)
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS497829:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2016/17, 34 554, nr. 3, p. 11-12.
Kamerstukken II 2016/17, 34 554, nr. 4 (tevens Nader Rapport).
Kamerstukken II 2016/17, 34 554, nr. 4, p. 3-4. Voetnoten zijn niet meegenomen in het citaat.
De afdeling refereert aan de additionele correctie bij een betaling alsnog (lid 5 en 8) en de indeplaatstredingsregeling bij de overdracht van vorderingen (lid 6) [noot; BH].
Kamerstukken II 2016/17, 34 554, nr. 4 (Nader Rapport).
Wet van 21 december 2016, Stb. 2016, 546 (Fiscale vereenvoudigingswet 2017).
Niet lang na het sluiten van de internetconsultatie werd als onderdeel van het meeromvattende Belastingplan 2017 het wetsvoorstel voor de Fiscale vereenvoudigingswet 2017 gepresenteerd.1 Een (groot) aantal opmerkingen van de respondenten uit de internetconsultatie hebben geleid tot aanpassingen van het consultatievoorstel en/of tot een toezegging om in de nabije toekomst nader bekeken te worden. Daarnaast is de (memorie van) toelichting op een bepaald aantal punten aangevuld,2 zo ook naar aanleiding van een advies van de ‘Afdeling advies’ van de Raad van State. Zij had het kabinet nog gevraagd om in de memorie van toelichting nader in te gaan op de verhouding van het voorstel tot de Btw-richtlijn, voordat het voorstel naar de Tweede Kamer zou worden gezonden.3 Over de Unierechtelijk basis merkte de afdeling het volgende op:4
“Hoewel de toelichting daar niets over zegt, lijkt de ‘verlaging van de maatstaf van heffing’ zoals die in het voorstel is opgenomen voor situaties van gehele of gedeeltelijke niet-betaling haar basis te vinden in de vergelijkbare bepaling in de btw-richtlijn die – eveneens – voorziet in een ‘verlaging van de maatstaf van heffing’ in het geval van gehele of gedeeltelijke niet-betaling. De bewoordingen van de Wet OB 1968 en de btw-richtlijn sluiten hier voor zover mogelijk op elkaar aan.
Die aansluiting is er niet met betrekking tot de hiervoor onder (1) en (2) bedoelde aanvullende maatregelen.5 Het is de Afdeling niet duidelijk of het de gedachte is dat bedoelde aanvullende maatregelen hun basis vinden in de in de btw-richtlijn voorziene afwijkingsmogelijkheid voor het geval van gehele of gedeeltelijke niet-betaling, in de bij een verlaging van de maatstaf van heffing door de lidstaten te stellen voorwaarden, dan wel in andere btw-richtlijnbepalingen.
Duidelijkheid hierover is van belang omdat in de aanvullende maatregelen geen sprake is van een correctie in de vorm van een ‘verlaging van de maatstaf van heffing’. Bij (1) is immers sprake van een hernieuwde afdrachtverplichting (...) en een hernieuwd recht op aftrek (...). En bij (2) is sprake van een hernieuwde afdrachtverplichting (...) en een hernieuwd recht op teruggaaf (...) voor een ander (namelijk de factormaatschappij) dan degene op wiens naam de factuur is gesteld (de leverancier).”
Waarop de staatssecretaris van Financiën reageerde:6
“De kaders die volgen uit de Europese BTW-richtlijn vormen het uitgangspunt bij de vormgeving van de teruggaafregeling voor oninbare vorderingen in de omzetbelasting, in het bijzonder waar het de maatstaf van heffing betreft. Er is sprake van een verlaging van de maatstaf van heffing als de afnemer de vergoeding geheel of gedeeltelijk niet betaalt. Artikel 90 van de BTW-richtlijn vormt de basis voor deze verlaging van de maatstaf van heffing, waarbij de lidstaten zelf de voorwaarden kunnen vaststellen waaronder de teruggaaf wordt verleend. Dit biedt de basis voor onder meer de correctie van de teruggaaf ingeval de vergoeding op een later tijdstip alsnog geheel of gedeeltelijk wordt ontvangen, alsmede voor de wijze waarop de regeling wordt toegepast in de situatie dat de vordering wordt overgedragen aan een andere ondernemer.”
De memorie van toelichting is vervolgens op dit punt aangevuld.7
In het verdere wetgevingstraject liep het voorstel ten aanzien van art. 29 Wet OB 1968 geen averij op en werd het zonder wijzigingen door de Tweede en Eerste Kamer aangenomen.8