Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/6.5
6.5 De wijziging van de visie op de WW in de periode 1996-2006
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258976:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Voetnoten
Voetnoten
In chronologische volgorde is de behandeling van de voorstellen van het kabinet door de SER als volgt gegaan.
- 1.
Op 3 februari 2004 is een adviesaanvraag aan de SER over de toekomstbestendigheid van de WW gedaan
- 2.
Op 11 november 2004 is een brief van de minister van SZW over de toekomstbestendigheid WW gepubliceerd.
- 3.
Op 2 december 2004 is een adviesaanvraag over voorstellen voor deregulering van de WW gedaan.
- 4.
Op 21 december 2004 is een brief van de minister van SZW over premiegroepen wachtgeldfondsen gepubliceerd en een adviesaanvraag over de toekomstbestendigheid van de WW gedaan.
- 5.
Op 13 januari 2005 heeft de minister van SZW een brief geschreven en een toelichting van 20 december 2004 van het Ministerie van SZW in verband met de WW-volumereductie
- 6.
Op 8 april 2005 is een brief van de commissie Sociale Zekerheid aan de minister van SZW over Deregulering Werkloosheidswet gepubliceerd.
- 7.
Op 15 april 2005 heeft de SER een advies uitgebracht: Toekomstbestendigheid WW: probleemschets.
- 8.
Op 15 april 2005 is een aanbeveling door de Stichting van de Arbeid ter bevordering van preventie van werkloosheid en re-integratie van werkloze werknemers gedaan
Deze stukken zijn als bijlage te vinden in het SER-advies Toekomstbestendigheid Werkloosheidswet 2005, p. 4.
Pennings, SR 2006/21.
In de jaren na de ingrijpende wijzigingen in het sanctiesysteem met de Wet Boeten, speelde er weer een discussie over de toekomst en rol van de WW. De minister van Sociale zaken en Werkgelegenheid (SZW) had op 3 februari 2004 en op 2 december 2004 twee adviesaanvragen aan de SER gedaan over de wenselijkheid van en de mogelijkheden voor een toekomstbestendige en eenvoudig uit te voeren WW. Beide adviesaanvragen komen hierna meer in detail aan de orde, maar uit de adviezen blijkt duidelijk dat er een wijziging plaatsvond over de visie op de WW.1 In de kern kwam die gewijzigde visie erop neer dat de WW meer als smeerolie moest gaan dienen voor meer arbeidsmobiliteit en het soepeler werken op de arbeidsmarkt. De poort tot de WW moest open worden gezet door het aanpassen van het verwijtbaarheidscriterium. Werknemers met een kort arbeidsverleden dienden een hogere, maar kortere, uitkering te krijgen. Aan de andere kant moesten werklozen sterker onder druk gezet worden om werk te zoeken. Deze nieuwe regeling werd als een revolutie in het denken over de WW ervaren en de wijzingen waren in sterke mate ingegeven door de wens van ontslagrechtjuristen destijds dat het ontslag eenvoudiger moest worden. De procedures waren erg ingewikkeld, hadden een moeilijk te voorspellen uitkomst en waren vaak zinloos omdat er slechts een toneelstukje werd opgevoerd om de WW-uitkering van de werknemer veilig te stellen.2 Ik ga in de volgende paragrafen dieper in op de achtergrond van de adviezen en de ontwikkelde visie van de WW als smeerolie op de arbeidsmarkt.
6.5.1 Notitie Toekomstverkenning WW (2004)6.5.2 Stuurgroep deregulering WW (2004)6.5.3 SER adviezen: Toekomstbestendigheid WW / Ontslagpraktijk en WW (2006)