Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/3.3.5.7
3.3.5.7 Controle op de verzekeringsplicht
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS397165:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zoals blijkt uit een mij bekende brief van de Europese Commissie aan de Council of Bureaux van 4 februari 2008.
Zie de in de vorige voetnoot genoemde brief van de Europese Commissie aan de Council of Bureaux van 4 februari 2008: “Furthermore, we believe that according to Article 3 of the 1st Motor Insurance Directive 72/166/EEC, it is the clear responsibility of the Member State where the vehicle is normally based to take measures in order to ensure that the insurance obligation has been satisfied.”
Zie art. 1, punt vier onder d van de Richtlijn en par. 3.3.5.3, 4.5.4.2 onder c tot en met f en 4.6.2.2 onder d.
Ten aanzien van deze voertuigen geldt naar Nederlands recht niet zonder meer dat zij van verzekeringsplicht zijn vrijgesteld. Het Nederlands Bureau der Motorrijtuigverzekeraars (NBM) staat slechts garant als de bestuurder in het bezit is van een geldig IVB.
Art. 4 van de Richtlijn bepaalt dat de lidstaten afzien van het controleren op de naleving van de verzekeringsplicht. Dat geldt niet slechts, zowel aan de buiten- als aan de binnengrenzen van de EU, voor gewoonlijk in de EU gestalde motorrijtuigen, maar ook voor controles binnen de EU van motorrijtuigen die gewoonlijk buiten de EU zijn gestald. Deze laatste voertuigen moeten – vanzelfsprekend – wel aan de buitengrenzen worden gecontroleerd. Daarbij dient te worden vastgesteld dat zij verzekeringsdekking hebben voor het gehele grondgebied van de EU. Zie art. 7 van de Richtlijn.
Voertuigen, afkomstig uit derde landen die overeenkomstig art. 8 lid 1, tweede volzin van de Richtlijn gelijk worden gesteld aan voertuigen uit de EU, worden aan de buitengrenzen evenmin op verzekeringsdekking gecontroleerd als voertuigen die gewoonlijk zijn gestald op het grondgebied van een der lidstaten. Naar de situatie op 1 januari 2010 betreft dit voertuigen uit Andorra, Kroatië en Zwitserland.
Tot de implementatie van de 5e Richtlijn was het de lidstaten toegestaan voertuigen afkomstig uit niet tot de EU behorende of daaraan gelijkgestelde landen aan de binnengrenzen van de EU steekproefsgewijs op de naleving van de verzekeringsplicht te controleren. Met de 5e Richtlijn is daaraan een einde gemaakt. Tegelijkertijd werd het de lidstaten wel toegestaan buitenlandse motorrijtuigen, ook die uit andere lidstaten, op verzekering te controleren, mits deze controle niet systematisch plaatsvindt, niet discriminerend is en onderdeel vormt van een controle die niet louter op de verzekeringsplicht is gericht. Voorbeeld: een controle in het kader van een algemene verkeersactie; blijkens een mededeling van de diensten van de Commissie is ook het controleren van bij een ongeval betrokken voertuigen toegestaan1 . De gedachte achter de beperking van de controlemogelijkheden van bezoekende motorrijtuigen is dat de verantwoordelijkheid voor de handhaving van de verzekeringsplicht bij de lidstaat van registratie ligt.2
Hierbij past wel de kanttekening dat een dergelijke controle alleen zin heeft, als de wetgeving van de controlerende lidstaat een verzekeringsplicht voor bezoekende buitenlandse voertuigen kent.
In een aantal lidstaten – waaronder Nederland – zijn motorrijtuigen die gewoonlijk zijn gestald in de lidstaten en in de drie hierboven genoemde ‘derde landen’ vrijgesteld van verzekeringsplicht, omdat het Bureau de vergoeding van de schade aan benadeelden garandeert. Zie voor Nederland art. 2 lid 6 en 8 Wam jo. art. 2 AMvB van 23 november 1972, laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 16 oktober 2007, Stb. 2007, 400. In deze landen is een dergelijke controle niet mogelijk wegens het ontbreken van een juridische grondslag. Voertuigen die gewoonlijk zijn gestald in andere landen kunnen wel onder de hiervoor genoemde drie voorwaarden worden gecontroleerd. Deze controle komt neer op controle op het IVB, dan wel op aanwezigheid van een grensverzekeringsdocument.
Dit stelsel is bepaald niet bevredigend. Allereerst mogen voertuigen afkomstig uit de EU en daaraan gelijk gestelde landen slechts niet systematisch en alleen na het passeren van de grens worden gecontroleerd. Voor zover de Richtlijn meebrengt dat de schade ten laste van het land van herkomst wordt gebracht, valt daarmee heel wel te leven. Dat is echter niet altijd het geval. Kleeft aan het kenteken een gebrek, dan blijft de schade, verhaal op de aansprakelijke buiten beschouwing gelaten, ten laste van het waarborgfonds van het land van ongeval.3
Maar ook ten aanzien van voertuigen uit derde landen is kritiek mogelijk. De bestuurder van deze voertuigen moet in het bezit zijn van een IVB of grensverzekeringsbewijs, dat gedurende zijn gehele verblijf in de EU geldig dient te zijn. De aanwezigheid van dat bewijs mag echter slechts systematisch op één moment worden vastgesteld: bij binnenkomst van de EU. Dat garandeert geen geldigheid op, bijvoorbeeld, het moment van een ongeval. De aan de inperking van de controlemogelijkheden ten grondslag liggende gedachte (dat de verantwoordelijkheid daarvoor bij de overheid van het land van herkomst van het voertuig ligt) gaat ook niet op voor voertuigen uit derde landen. Veelal zal immers de wetgeving van het derde land niet verplichten tot dekking in de EU. Om te voorkomen dat dergelijke voertuigen zich onverzekerd binnen de EU bewegen zouden zij op ruimere schaal en meer systematisch gecontroleerd moeten kunnen worden dan de richtlijnen thans toestaan.4