Einde inhoudsopgave
De systematiek van de vermogensdelicten 2017/3.4.2.2
3.4.2.2 Oplichting
mr. V.M.A. Sinnige, datum 02-01-2017
- Datum
02-01-2017
- Auteur
mr. V.M.A. Sinnige
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Notulen Staatscommissie I, p. 419.
Notulen Staatscommissie I, p. 420.
Notulen Staatscommissie I, p. 422.
Hier werd nog gesproken over ‘doel’ in plaats van ‘oogmerk’. De definitieve beslissing daarover zou pas bij de redactie aan de orde komen, vgl. Notulen Staatscommissie I, p. 419.
Notulen Staatscommissie I, p. 422-423.
Vgl. ook de discussie in de Engelse wetsgeschiedenis (hoofdstuk 5) over de strafbaarstelling van dishonesty/deception/fraud, waarbij men wijst op het gevaar dat een ruime strafbaarstelling adverteerders en sollicitanten zal treffen.
Notulen Staatscommissie II, p. 496-497.
De Wal 1875, p. 53.
Smidt II, p. 545.
Smidt II, p. 548.
Smidt II, p. 548-549.
De Commissie De Wal wilde geen algemene strafbaarstelling van bedrog, maar een aparte strafbaarstelling van oplichting. De drie grote in het oog springende kenmerken van het misdrijf oplichting waren volgens de Commissie: a) de bedoeling om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen; b) anderen in dwaling brengen; en c) bewegen tot afgifte.1
De Commissie vond het ‘doel om te bevoordelen’ echter toch te vaag en aanleiding gevend tot discussies over het naaste doel, het einddoel, etc. Om die reden is gekozen voor het ‘oogmerk om te bevoordelen’. Dat hier alleen materieel voordeel wordt bedoeld, bleek volgens de Commissie genoegzaam uit het slot van de bepaling (‘de afgifte van een zaak’) en uit de aard van het misdrijf in het algemeen. De Commissie vond het overigens niet nodig en gewrongen om net als bij diefstal te spreken van ‘oogmerk van toe-eigening’.2 Kenmerk van voltooiing van het misdrijf is de afgifte en niet de toegebrachte schade of het enkele in dwaling brengen met het doel van benadeling.3 De Commissie meende oplichting te kunnen omschrijven als de daad van hem “die met het doel4 om zich of anderen wederregtelijk te bevoordeelen, door middel hetzij van het onderdrukken of verminken van ware of het voorspiegelen van valsche feiten, hetzij van het aannemen van valsche namen of hoedanigheden, hetzij van listige kunstgrepen, iemand bewogen heeft tot de afgifte van eenig goed of tot het aangaan eener schuld of tot het kwijten eener inschuld”.5 Op een latere vergadering werd nogmaals beraadslaagd over “het onderdrukken of verminken van ware of het voorspiegelen van valsche feiten”. Modderman vond dat die toevoeging de bepaling te ruim maakte. Ook de fruitverkoper die de goede waar boven, de slechte onder en alles tezamen als goed verkoopt, zou daaronder begrepen zijn.6 Hij vermoedde zelfs dat men via dat bestanddeel toch ongemerkt zou komen tot een algemene strafbaarstelling van bedrog. De heer De Pinto stelde uiteindelijk voorop dat men tot uitdrukking heeft willen brengen dat een weefsel van bedrog het criterium is. Eenparig is toen besloten het bekritiseerde bestanddeel te vervangen door “een zamenweefsel van verdichtsels”.7
Het uiteindelijke voorstel van de Commissie luidde aldus:
“Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederregtelijk te bevoordeelen, hetzij door het aannemen van valsche namen of van valsche hoedanigheden, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een zamenweefsel van verdichtsels, iemand beweegt tot de afgifte van eenig goed of tot het aangaan van eene schuld of het te niet doen van eene inschuld, wordt, als schuldig aan opligting, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.”8
Net als de Commissie De Wal stelde de regering zich op het standpunt dat niet, net als in sommige andere wetgevingen, bedrog in het algemeen strafbaar zou moeten worden gesteld, in die zin dat de dader met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling van zichzelf of een ander aan iemands vermogen schade toebrengt door hem in dwaling te brengen of te houden door het voorspiegelen van valse of het verbergen van ware feiten:
“De vrees dat men door zoodanige algemeene bepaling van strafbaar bedrog ligt de grenzen overschrijdt, die de strafwetgever zich behoort te stellen, is niet hersenschimmig. Veiliger weg slaat de wetgever in door de verschillende soorten van bedrog die hij strafbaar keurt, achtereenvolgens te kenmerken en daarbij op den voorgrond te stellen het misdrijf dat in onze regtspraktijk, sedert de invoering van den franschen code, met den naam van opligting (escroquerie) is bestempeld.”9
In art. 354 O.R.O. werd het voorstel van de Commissie De Wal overgenomen. De Commissie van Rapporteurs van de Tweede Kamer vond echter de definitie van het resultaat van de oplichting, te weten de afgifte van enig goed of het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld nodeloos beperkend:
“Elke daad en elk verzuim, waardoor iemand in zijn vermogen is benadeeld, is van gelijke waarde waar het geldt vaststelling van het feit dat iemand door het bedrog in zijn vermogensregt is gekrenkt. Eindelijk zou de Commissie voor den meest algemeenen vorm van het misdrijf welke hier wordt strafbaar gesteld, den algemeenen naam van bedrog verkiezen boven de meer speciale van opligting.”10
Het leek de Commissie daarom beter om in het artikel te lezen: “Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederregtelijk te bevoordeelen, hetzij door het aannemen van een valschen naam of van eene valsche hoedanigheid (beter dan: van valsche namen of van valsche hoedanigheden), hetzij door het bezigen van eenig bedriegelijk middel om eene onwaarheid ingang te doen vinden, een ander beweegt om iets te doen of niet te doen waardoor deze in zijn vermogen wordt benadeeld, wordt, als schuldig aan bedrog gestraft met enz.” De minister, Modderman, was het hiermee, zoals te verwachten, niet eens. Wederrechtelijke bevoordeling van zich of een ander moest op de voorgrond staan en de Minister vroeg zich af of dit, voor zover het strafbaar zou zijn, op andere wijze plaats zou kunnen hebben dan op een van de wijzen in art. 354 O.R.O. omschreven.11 Over de betekenis van het bestanddeel ‘afgifte van eenig goed’ werd ook in het kader van oplichting niet gerept.