Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/10.4.2.2:10.4.2.2 Relatie met de motiveringsplicht
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/10.4.2.2
10.4.2.2 Relatie met de motiveringsplicht
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. Simmelink 2001, De Wilde 2008 en Dreissen 2009.
Zie de conclusie van Knigge bij Hoge Raad 30 juni 2009, NJ 2009, 496, m.nt Borgers.
HR 13 juli 2010, LJN BM 2452, NJ 2010, 515, m.nt. Borgers, r.o. 2.4.
HR 12 februari 2013, LJN BZ1890.
HR 26 januari 2010, LJN BK2094, NJ 2010, 512, r.o. 3.4.
Als het gaat om de motivering van de rechter worden in de literatuur verschillende functies onderscheiden. Zie in dit verband het proefschrift van Wilma Dreissen over de bewijsmotivering (Dreissen 2007).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de literatuur hebben echter diverse auteurs gepleit voor een meer uitdrukkelijke koppeling van de bewijsminimumregels met de rechterlijke motiveringsplicht.1 In gevallen waarin het bewijs in de kern berust op één getuigenverklaring zou volgens deze auteurs de rechter moeten uitleggen waarom het tóch verantwoord is om tot een bewezenverklaring te komen.2 De Hoge Raad maakt de koppeling in recente jurisprudentie nu zelf ook. Bij de beoordeling in cassatie of aan het wettelijk bewijsminimum is voldaan, kan volgens de Hoge Raad van belang zijn of de rechter zijn oordeel hieromtrent nader heeft gemotiveerd.3 De motivering van de feitenrechter mag echter niet uitsluitend zien op de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige, maar moet expliciet zijn gericht op het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv.4 Dit betekent niet dat er onder alle omstandigheden afzonderlijk dient te worden gemotiveerd waarom aan het wettelijk bewijsminimum is voldaan. Een nadere overweging kan achterwege blijven indien het verband tussen de getuigenverklaring en het bijkomende bewijsmateriaal ook zonder nadere motivering duidelijk is.5 Wanneer de inhoudelijke relatie tussen de dragende getuigenverklaring en de bijkomende bewijsmiddelen echter niet zonneklaar is, lijkt een nadere motivering gericht op artikel 342 lid 2 Sv uitkomst te kunnen bieden.
De koppeling van de bewijsminimumregel met de rechterlijke motiveringsplicht is niet geheel onproblematisch. Het risico bestaat immers dat de bewijsminimumregel verwordt tot motiveringsplicht en op die manier ons bewijsstelsel wordt verzwakt. De bewijsminimumregels en de rechterlijke motiveringsplicht dragen immers elk op eigen wijze bij aan de accuratesse van het rechterlijk oordeel. De wettelijke bewijsminima doen dit door een methodologisch minimum te formuleren waaraan de bewijsbeslissing moet voldoen; beneden een bepaald minimum mag de rechter niet tot een positieve bewijsbeslissing komen en moet hij vrijspreken. De motiveringsregels dienen ter inscherping van de rechter, maar dwingen de rechter vooral om zijn beslissing te verantwoorden.6 Met behulp van de motivering kan de rechter laten zien dat hij zich van een bepaald argument rekenschap heeft gegeven en kan de mate waarin de beslissing is verankerd door anderen worden getoetst. Ervan uitgaande dat de bewijsminimumregels een methodologisch minimum beogen te bieden, kan de motivering daarom slechts een beperkte functie bieden. Als er geen enkel bewijsmiddel is dat ook maar enige wezenlijke steun biedt aan de verklaring van het slachtoffer, dan valt dat met een nadere motivering niet te repareren. Het is dan ook opmerkelijk dat de Hoge Raad in zijn arrest van 12 februari 2013 de nadere bewijsmotivering uitdrukkelijk betrekt bij de vraag of sprake is van voldoende steun door te stellen dat ‘de overige bewijsmiddelen en de (...) nadere bewijsmotivering van het Hof onvoldoende steun geven aan de verklaring van aangeefster’. Wellicht is hier sprake van een verschrijving. Duidelijk moge zijn dat vanuit methodologisch perspectief een nadere motivering zelf geen steun kan bieden. Zij kan slechts inzichtelijk maken of de feitenrechter op terechte gronden heeft aangenomen dat voldoende steun bestaat.