Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/10.4.2.1
10.4.2.1 Koers Hoge Raad
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
HR 6 juni 2006, NJ 2006, 333.
HR 30 juni 2009, NJ 2009, 495 en HR 30 juni 2009, NJ 2009, 496.
HR 26 januari 2010, LJN BK2094, NJ 2010, 512, ro. 3.3.
HR 26 januari 2010, LJN BK2094, NJ 2010, 512, ro. 3.3.
Borgers 2012, Bleichrodt 2011, Dreissen 2009 en Schalken onder HR 6 maart 2012, NJ 2012, 250-252.
Zie bijv. Van Dijck bij HR 14 oktober 1929, p. 1552-1554.
HR 6 maart 2012, NJ 2012, 252, m.nt. Schalken is daarvan nog wel het meest duidelijke voorbeeld.
HR 26 januari 2010, LJN BK5597, HR 15 juni 2010, NJ 2010, 513, HR 13 juli 2010, NJ 2010, 515 en HR 12 februari 2013, LJN BZ1890.
HR 26 januari 2010, NJ 2010, 512, r.o. 3.3.
Zie Borgers onder HR 13 juli 2010, LJN BM2452, NJ 2010, 515, die stelt dat het feit dat geen algemene regels kunnen worden geformuleerd niet betekent dat het benoemen van gezichtspunten niet mogelijk zou zijn.
HR 26 januari 2010, NJ 2010, 512, onder 4.4.10. Zie ook Aben onder HR 15 november 2011, NJ 2012, 279, m.nt. Reijntjes, onder 15.15.
Vlg. Bleichrodt 2011, p. 20 en Borgers onder HR 13 juli 2010, NJ 2010, 515.
In artikel 342 lid 2 Sv is bepaald dat het bewijs dat de verdachte het strafbare feit heeft begaan door de rechter niet uitsluitend mag worden aangenomen op de verklaring van één getuige, wat betekent dat naast een belastende getuigenverklaring altijd aanvullend bewijsmateriaal aanwezig moet zijn om tot een bewezenverklaring te komen. De bewijsminimumregel van artikel 342 lid 2 Sv is te herleiden tot het adagium unus testis, nullus testis ofwel één getuige is geen getuige. De ratio achter de bewijsminimumregel is dat nooit met zekerheid kan worden vastgesteld of een getuige wel de (gehele) waarheid heeft verteld. Op het moment dat het bewijs uitsluitend berust op de verklaring van één getuige, staat in feite het woord van de getuige tegen dat van de verdachte. De gedachte is dat zonder bijkomend bewijs er geen reden is om aan het woord van de getuige meer geloof te hechten dan aan dat van de verdachte.
De Hoge Raad stelt van oudsher geen hoge eisen aan het bijkomend bewijsmateriaal en neemt genoegen met een geringe hoeveelheid aan steunbewijs. Dit steunbewijs hoeft geen rechtstreekse bevestiging te behelzen van de kern van het verwijt dat verdachte wordt gemaakt. Ook hoeft de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde, voor zover deze ter discussie staat, niet rechtstreeks uit het bijkomend bewijsmateriaal te blijken. Wel geldt de eis dat het bijkomend bewijsmateriaal afkomstig moet zijn uit een andere bron en niet te herleiden mag zijn tot de getuige zelf. Zo kon de verklaring van de buurvrouw die uit eigen wetenschap verklaarde dat het slachtoffer huilde niet als steunbewijs gelden.1 Verklaringen van horen zeggen waarin anderen (ouders, leraren, etc.) overbrengen wat de getuige hen heeft verteld, kunnen ook niet bijdragen aan het halen van het wettelijk minimum.
Sinds juni 2009 stelt de Hoge Raad tevens de eis dat het bijkomend bewijsmateriaal ‘voldoende steun’ biedt voor de feiten en omstandigheden die in de dragende getuigenverklaring zijn neergelegd.2 De standaardoverweging van de Hoge Raad luidt in dit verband als volgt.
‘Volgens het tweede lid van art. 342 Sv – dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan – kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.’3
Het criterium zoals dat uit voorstaande naar voren komt, is dat de feiten en omstandigheden waarover de getuige heeft verklaard, niet op zichzelf mogen staan en voldoende steun moeten vinden in ander bewijsmateriaal. Of zoals de Hoge Raad het ook heeft geformuleerd: er mag geen sprake zijn van ‘een te ver verwijderd verband tussen de ene getuigenverklaring en het overige gebezigde bewijsmateriaal’.4 De Hoge Raad heeft dus een materieel criterium geïntroduceerd.
In de literatuur wordt discussie gevoerd of de Hoge Raad in 2009 een nieuwe koers heeft ingezet door te eisen dat de feiten en omstandigheden waarover de getuige verklaart voldoende steun moeten vinden in ander bewijsmateriaal.5 Voor 2009 bestond met name vanuit de wetenschap veel kritiek op de wijze waarop de Hoge Raad invulling gaf aan de bewijsminimumregels.6 De nieuwe formulering deed en doet vermoeden dat de Hoge Raad de touwtjes enigszins heeft willen aantrekken, zonder de feitenrechter in dit opzicht teveel in de weg willen te leggen. Door het casuïstisch karakter van de uitspraken is het echter lastig om te bepalen of de Hoge Raad nu ook daadwerkelijk strengere eisen stelt aan het bijkomend bewijsmateriaal dan voorheen. Bestudering van de sinds juni 2009 gewezen arresten laat immers zien dat hij nog steeds genoegen neemt met een minimale hoeveelheid bijkomend bewijsmateriaal.7 Duidelijk is wel dat de Hoge Raad het waarborgkarakter van de bewijsminimumregel in zijn overwegingen sterker is gaan benadrukken en sinds 2009 een aantal keer heeft gecasseerd bij gebrek aan steun voor de getuigenverklaring in het overige bewijsmateriaal.8 Een en ander heeft erin geresulteerd dat er in de rechtspraktijk en wetenschap sprake is van hernieuwde aandacht voor de toepassing van de bewijsminimumregel in relatie tot de verklaringen van getuigen.
De vraag die thans voorligt, is welke mate van steun aanwezig moet zijn voor de getuigenverklaring om aan het wettelijke bewijsminimum te kunnen voldoen. De Hoge Raad zelf doet geen algemene uitspraken over hoe sterk de relatie tussen de getuigenverklaring en het bijkomende bewijsmateriaal moet zijn. Volgens de Hoge Raad vergt de vraag of het wettelijk bewijsminimum is gehaald een beoordeling van het concrete geval. Hij stelt derhalve slechts ‘tot op zekere hoogte duidelijkheid [te kunnen] verschaffen door het beslissen op concrete gevallen’.9 Onderkend moet worden dat het geven van algemene regels ook uitermate lastig is aangezien het proces van bewijzen sterk is verbonden met de feiten en daarmee met de concrete casus en het tenlastegelegde delict.10 Zo laat advocaat-generaal Aben in zijn conclusie bij een arrest van 26 januari 2010 duidelijk zien dat de waarde van de aanvullende informatie voor het bewijs moet worden bezien tegen de achtergrond van de verschillende lezingen die door de verdediging en het Openbaar Ministerie zijn gepresenteerd.11 Of de dragende getuigenverklaring in een concrete zaak voldoende wordt ondersteund door het bijkomend bewijs is geheel afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals de aard van het delict, het soort bijkomend bewijs en hetgeen de verdachte in reactie op de getuigenverklaring of de beschuldiging heeft aangevoerd. Dat de Hoge Raad zich (nog) niet aan het formuleren van algemene richtsnoeren heeft willen wagen, valt vanuit dat perspectief dan ook wel te verklaren. Het punt is echter dat de rechtspraktijk weinig houvast wordt geboden. De Hoge Raad laat de beoordeling of is voldaan aan het wettelijk bewijsminimum afhangen van de concrete omstandigheden van het geval, maar besteedt aan die omstandigheden in zijn arresten niet of nauwelijks aandacht. Daardoor is het vooral gissen naar de beweegredenen van de Hoge Raad om een bepaalde constructie in het concrete geval al dan niet als voldoende te beoordelen.12