Einde inhoudsopgave
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/12.5.5
12.5.5 Artikel 4:126 Awb en de speciale last
D.G.J. Sanderink, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
D.G.J. Sanderink
- JCDI
JCDI:ADS441408:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Omgevingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
De referentiegroep bestaat dus uit grondeigenaren die niet getroffen worden door het voornemen en niet uit grondeigenaren die ook getroffen worden door het voornemen. Zie over referentiegroepen bij het égalitébeginsel in het algemeen Tjepkema 2004.
In het beantwoorden van de vraag of de schade uitgaat boven het normale maatschappelijke risico ligt (zoals in paragraaf 10.5.2 opgemerkt) overigens reeds een vergelijking met anderen besloten. Wat een normaal maatschappelijk risico is hangt immers vooral af van hoe vaak en in welke mate (de verwezenlijking van) het risico ook anderen treft.
Zie Kamerstukken II 2010/11, 32 621, nr. 3, p. 23-24 en Kamerstukken I 2012/13, 32 621, C, p. 7: ‘Soms is een last reeds speciaal omdat één of enkele burgers worden getroffen in vergelijking met alle andere burgers die niet worden getroffen. In die gevallen komt de nadruk te liggen op de vraag of de last abnormaal is (het normale maatschappelijke risico overstijgt) en heeft het vereiste van de speciale last minder onderscheidende betekenis.’
Zie Van Ettekoven 2011, p. 17.
Zie Dijkshoorn 2011, p. 166-167. Volgens Dijkshoorn is het vereiste van de abnormale last daarmee feitelijk het enige vereiste.
Zie Van den Broek 2011, p. 989-990. Zij stelt dat dan per definitie is voldaan aan het vereiste van de speciale last. De opvatting van Van den Broek over het vereiste van de speciale last komt overeen met, althans lijkt op, die van Schueler (zie Schueler 2005a, p. 198-200). De gevallen waarin aan het vereiste van de speciale last geen onderscheidende betekenis toekomt, noemt hij ‘not-in-my-backyard gevallen’.
Zie Tjepkema 2012, p. 389. Voor zijn opvatting dat aan het vereiste van de speciale last nog wel betekenis kan toekomen (bij planologische maatregelen) wijst hij onder meer op HR 11 juni 1993, r.o. 2.5, NJ 1996/2 (Ruijsch/Apeldoorn) betreffende de weigering van de gemeente Apeldoorn om op grond van (het voormalige) art. 49 Wet op de ruimtelijke ordening schadevergoeding toe te kennen voor een waardedaling van grond als gevolg van een bestemmingswijziging die bouwmogelijkheden op die grond deed vervallen. Volgens de HR kon het hof oordelen dat de positie van Ruijsch zich wat de waardedaling betreft niet, althans niet in voldoende mate, onderscheidde van die van de andere grondeigenaren in het betrokken gebied. Voor zover met dit oordeel bedoeld is dat de schadevordering afstuitte op het vereiste van de speciale last, ook al was wel sprake van een abnormale last, acht ik het onjuist. Waar (planologische) maatregelen genomen worden mede in het belang van anderen die niet door die maatregelen worden getroffen (de gemeenschap als geheel), is het uit een oogpunt van redelijkheid en gelijkheid onjuist om die anderen buiten de vergelijking (referentiegroep) te houden. Het toekennen van zelfstandige betekenis aan het vereiste van de speciale last leidt tot de ongerijmde situatie dat een schadevordering afgewezen kan worden om de enkele reden dat de andere benadeelden ook een abnormale last dragen.
Artikel 4:126 lid 1 Awb stelt voor de vergoeding van schade niet alleen als vereiste dat de schade uitgaat boven het normale maatschappelijke risico (vereiste van de abnormale last), maar ook dat de schade een benadeelde in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft (vereiste van de speciale last). Aan het vereiste van de speciale last komt mijns inziens in schaduwschadesituaties 1, 2b en 3 echter geen onderscheidende betekenis toe. Eigenaren die in die situaties door een (beleids)voornemen getroffen worden moeten vergeleken worden met eigenaren die niet door dat voornemen getroffen worden. De overheid kan naar mijn oordeel niet met vrucht betogen dat weliswaar sprake is van een abnormale last, maar dat ook andere eigenaren door het voornemen getroffen worden en dat de schade van de betreffende benadeelde eigenaar niet onevenredig groter is dan de schade die de andere benadeelde eigenaren lijden.1 Als de overheid bijvoorbeeld een voornemen bekendmaakt om een nieuwe spoorlijn aan te leggen en een eigenaar van een langs het voorgenomen tracé liggend stuk grond om onteigening of schadevergoeding verzoekt, kan de overheid dit verzoek niet afwijzen met het betoog dat zijn (schaduw)schade niet onevenredig is in vergelijking met de schade die de andere eigenaren van grond langs het tracé lijden. Feitelijk is mijns inziens dus slechts relevant of de schade het normale maatschappelijke risico te boven gaat (vereiste van de abnormale last).2 In dit verband is van belang dat in de parlementaire geschiedenis ook is erkend dat aan het vereiste van de speciale last lang niet altijd onderscheidende betekenis toekomt.3 In de literatuur is eenzelfde standpunt te vinden. Zo is Van Ettekoven van oordeel dat bij planschade het vereiste van de speciale last weinig betekenis heeft en ‘oplost’ in het vereiste van de abnormale last.4 Dijkshoorn meent dat in het planschaderecht geen ruimte bestaat voor het vereiste van de speciale last en dat, als dit vereiste toch gesteld wordt, er steeds aan voldaan zal zijn.5 Volgens Van den Broek is het niet onmogelijk de referentiegroep te bepalen in gevallen waarin (bijvoorbeeld door een algemeen verbindend voorschrift) welbewust aan een beperkte, duidelijk af te bakenen groep burgers een belastende maatregel wordt opgelegd. Indien evenwel sprake is van een overheidsmaatregel die de samenleving in het algemeen baat maar onbedoeld een kleine groep burgers benadeelt, is de referentiegroep naar haar oordeel niet goed af te bakenen en dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de kleine groep benadeelde burgers en de rest van de samenleving. Als voorbeelden van deze laatste situatie noemt zij verkeersmaatregelen en de aanleg van wegen en spoorlijnen.6 Tjepkema, tot slot, ziet in bepaalde gevallen nog wel enige ruimte voor een onderscheidende rol van het vereiste van de speciale last, maar erkent tegelijkertijd dat de focus bij planologische maatregelen (net als bij andere maatregelen) primair zal liggen op het normale maatschappelijke risico.7