Einde inhoudsopgave
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/4.2.8
4.2.8 De "constructie Drion"
mr. M.R. Ruygvoorn, datum 09-06-2009
- Datum
09-06-2009
- Auteur
mr. M.R. Ruygvoorn
- JCDI
JCDI:ADS301876:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Drion 1947.
Drion 1967, p. 282-283.
Drion 1967, p. 249.
HR 19 december 1952, NJ 1953, 642 (Voortse Stroom).
Ik verwijs in dit kader naar hetgeen ik in hfdst. 2 heb opgemerkt naar aanleiding van de door Von Jhering verdedigde diligentieovereenkomst (Von Jhering, 1861, p.1 e.v.).
Tjittes 2006. p. 144.
Asser-Hartkamp 2005, nr. 166.
Toch vindt het standpunt van J. Drion ook navolging; vgl. bijv.: C.J.H. Brunner in zijn noot onder het arrest Plas/Valburg, L.D. Pels Rijcken in zijn noot in BR 1983, p. 406 onder het arrest Plas/Valburg, Schut 1986, p. 84-85, Van Dunné 1997, p. 244 en voorts Schut 1987, p. 58-59 en Blei Weissmann, I aant. 116.1 en de daar aangehaalde literatuur.
In de literatuur is door een aantal schrijvers de zogenaamde "constructie Drion" verdedigd. Deze constructie, die voor de eerste keer naar voren is gebracht door J. Drion1 voor de onrechtmatige daad, komt in grote lijnen op het volgende neer. De gedachte is dat sprake is van een uit twee elementen samengestelde onrechtmatige daad, waarvan het tweede element dan bestaat uit het niet vergoeden van de door de voorafgaande (rechtmatige) gedraging (het eerste element) veroorzaakte schade. Deze constructie is door H. Drion toegepast op het leerstuk van de kostenvergoeding bij afgebroken onderhandelingen2. Hij merkt in dit kader op3:
"Hoewel ik mét de meeste schrijvers van mening ben dat de Hoge Raad in het 7e Voortse Stroomarrest4 niet deze constructie (bedoeld is: de hiervoor omschreven 'constructie Drion', MR) heeft gevolgd, (...) wil dit niet zeggen dat de Hoge Raad de andere constructie, waar géén rechtvaardiging (door behartiging van een algemeen belang) in het geding is, als mogelijkheid zou hebben laten vallen. Het lijkt me dat hij haar niet zal willen laten schieten als mogelijke oplossing voor de gevallen, waar de schadeveroorzakende gedraging op zichzelf genomen nog niet onbehoorlijk is, mits de pleger ervan maar bereid is de schadelijke gevolgen ervan voor zijn rekening te nemen. Die situatie kan zich ook in de gevallen van afgebroken onderhandeling voordoen. Noch het wekken van verwachtingen door het voeren van onderhandelingen, noch het teleurstellen van die verwachtingen door het afbreken van de onderhandelingen hoeft op zichzelf beschouwd onbehoorlijk te zijn, maar kan het onder omstandigheden wel worden als men niet bereid is de veroorzaakte kosten te vergoeden. Het bezwaar van deze constructie is — en dat verklaart de aarzeling waarmee de meesten er tegenover staan — dat zij de rechter volledig de vrije hand laat in het al of niet toewijzen van een vordering tot schadevergoeding. Maar bij de constructie van een gefingeerde wilsovereenstemming tot kostenvergoeding, is die vrijheid in wezen niet veel kleiner."
Op de laatstgenoemde gefingeerde wilsovereenstemming tot kostenvergoeding zal ik niet verder ingaan; het aannemen van een dergelijke veronderstelling, die erop neerkomt dat partijen, door met elkaar in onderhandeling te treden, een stilzwijgende overeenstemming zouden creëren die de wil met zich brengt bij de onderhandelingspartner om in voorkomend geval tot vergoeding van in het kader van de onderhandelingen gemaakte kosten over te gaan, acht ik dermate gekunsteld en onrealistisch dat ik verdere bespreking van deze theoretische mogelijkheid achterwege laat.5 Dan blijft over de toepassing door H. Drion van de door zijn broer J. Drion verdedigde "rechtmatigedaadsconstructie" waarbij het niet aanbieden van schadevergoeding leidt tot een onrechtmatige daad. Op deze constructie, en meer in het bijzonder op de toepassing van deze constructie op gevallen als het onderhavige, is in de literatuur veel kritiek geuit. Tjittes noemt de constructie, gelet op de beperkte en terughoudende maatstaf; voor toepassing bij afgebroken onderhandelingen "onnodig en gekunsteld"6. Hartkamp7 kwalificeert de constructie eveneens als gekunsteld en merkt in dat kader op dat
in een modern rechtsstelsel het past deze gekunsteldheid te vermijden waar dit enigszins mogelijk is”.8
Ik deel de mening van Tjittes en Hartkamp met betrekking tot de toepassing van de constructie Drion als hiervoor omschreven op het leerstuk van de afgebroken onderhandelingen en dan meer in het bijzonder daar waar het gaat om kostenvergoeding bij gelegitimeerd afgebroken onderhandelingen; niet valt in te zien waarom men, daar waar het recht instrumenten biedt (zoals bijv. de hierna te bespreken onrechtmatige daad of, in bijzondere situaties, het leerstuk van de ongerechtvaardigde verrijking of onverschuldigde betaling) die in de literatuur en de jurisprudentie grotendeels zijn uitgekristalliseerd en die voldoende waarborgen bieden voor een genuanceerde benadering van de onderhavige problematiek, zijn toevlucht zou moeten (of willen) nemen tot een gekunstelde oplossing als de "constructie Drion".