Verrekening door de fiscus
Einde inhoudsopgave
Verrekening door de fiscus (O&R nr. 62) 2011/4.8:4.8 Verrekening en verjaring
Verrekening door de fiscus (O&R nr. 62) 2011/4.8
4.8 Verrekening en verjaring
Documentgegevens:
Mr. A.J. Tekstra, datum 26-04-2011
- Datum
26-04-2011
- Auteur
Mr. A.J. Tekstra
- JCDI
JCDI:ADS604784:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal ondernemingsrecht (V)
Invordering / Verrekening
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Toon alle voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de Memorie van Toelichting is als volgt ingegaan op de verjaring van de verrekeningsmogelijkheid voor de fiscus:1
"Gelet op het karakter van de belastingvordering kan ons inziens worden gesteld dat een specifieke verjaringsregeling daarvoor nodig is. In artikel 282 wordt daarom een zelfstandige regeling gegeven met betrekking tot de verjaring van dwanginvordering en van het recht op verrekening.
Het eerste lid bepaalt dat het recht tot dwanginvordering en het recht tot verrekening met betrekking tot een belastingaanslag verjaren door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de aanslag geheel invorderbaar is dan wel, indien zulks tot een later tijdstip leidt, vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de laatste akte van vervolging ter zake van die aanslag aan de belastingschuldige is betekend."
Het komt mij nuttig voor dat in de wet uitdrukkelijk aandacht wordt besteed aan de verjaring van het recht op verrekening door de fiscus. Bij gebreke daarvan zou dit indirect moeten worden afgeleid uit de verjaring van het recht op invordering. Andere mogelijke wijzen van tenietgaan van een vordering, zoals kwijtschelding, niet verder bemoeilijken, oninbaar lijden en een schone lei, worden in de wetsgeschiedenis niet aan de orde gesteld.3 De verjaringbepaling van artikel 27 Iw 1990 is per 1 juli 2009 grotendeels verplaatst naar de Awb.4 In artikel 27 Iw 1990 is daarvoor in de plaats een regeling gekomen die ziet op de wijze van stuiting van de verjaring door de ontvanger (lid 1) en het doorlopen van de aansprakelijkheidschuld van een derde indien de belastingschuldige zelf heeft opgehouden te bestaan (lid 2).