Einde inhoudsopgave
De Europese Executoriale Titel (BPP nr. III) 2005/4.5.1
4.5.1 Aanhouding van de rechtsmiddelprocedure
Mr. M. Zilinsky, datum 02-03-2005
- Datum
02-03-2005
- Auteur
Mr. M. Zilinsky
- JCDI
JCDI:ADS373461:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
G.A.L Droz, H. Gaudemet-Tallon, 'La transformation de la Convention de Bruxelles du 27 septembre 1968 en Réglement du Conseil concernant la compétence judiciaire, la reconnaissance et l'exécution des décisions en matière civile et commerciale', RevcriLdnint.pr. 2001, p. 601-652 (i.h.b. p. 649); H.-W. Micklitz, P. Rott, 'Vergemeinschaftung des EuGVQ in der Verordnung (EG) Nr. 44/2001', EuZW 2002, p. 14-24 (i.h.b. p. 22). Micklitz en Rott menen dat door de mogelijkheid tot aanhouding ook in de procedure op rechtsmiddel ex art. 44 EEX-Vo te creëren een extra mogelijkheid tot bescherming van de al zo weinig beschermde schuldenaar ontstaat.
Burgerlijke Rechtsvordering, Vlas, Verdragen & Verordeningen, EEX-Verordening, Art. 44, aant. 3.
HvJ EG 4 oktober 1991, C-183/90, Jur. 1991, p. I-4743, NJ 1992, 584, Van DaysenlVan Loon.
HvJ EG 11 augustus 1995, C-432/93, Jur. 1995, p. I-2269, NJ 1997, 2, SISRO/Ampersand.
Ook kan worden gewezen op de mogelijkheid dat dit recht misbruikt zou kunnen worden om het gehele proces te 'traineren'.
Ingevolge art. 46 kan de rechter in de rechtsmiddelprocedure ex art. 43 en 44 op verzoek van de partij tegen wie de tenuitvoerlegging is gevraagd, zijn beslissing aanhouden indien tegen de ten uitvoer te leggen beslissing in de lidstaat van herkomst een hogere voorziening is ingesteld dan wel indien de termijn voor het instellen van een dergelijke voorziening nog loopt. In het laatste geval kan de rechter die over het rechtsmiddel oordeelt, een termijn voor het instellen van de hogere voorziening bepalen.
Door de aanhouding van de beoordeling van het rechtsmiddel wordt voorkomen, dat er op een vreemde beslissing een exequatur wordt verleend, alhoewel deze beslissing op een later moment ten gevolge van een hogere voorziening door een rechter in de lidstaat van herkomst van die beslissing wordt gewijzigd dan wel vernietigd.
De aanhouding van de zaak is volgens art. 46 mogelijk bij beoordeling van zowel het rechtsmiddel van art. 43 als het rechtsmiddel van art. 44. Hier treedt mijns inziens wel een wijziging ten aanzien van het EEX-Verdrag op.1 Onder de werking van het verdrag was het de rechter die op het beroep in cassatie oordeelde, niet toegestaan om de procedure aan te houden.2Art. 38 EEX-Verdrag staat dit alleen aan de rechter toe die op het 'eerste' rechtsmiddel oordeelde.
In de praktijk is het mogelijk dat de rechter die over het rechtsmiddel ex art. 43 EEX-Vo oordeelt, de zaak niet aanhoudt. Art. 46 EEX-Vo geeft aan de rechter immers een discretionaire bevoegdheid. De rechter moet het belang van de partij die om het exequatur heeft verzocht - namelijk, de spoedige tenuitvoerlegging - afwegen tegen het belang van de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt verzocht - namelijk, voorkoming van onherstelbare schade -, dit in het licht van de kans van het slagen van het in de lidstaat van herkomst ingediende rechtsmiddel. Bij de beoordeling van deze kans mag de rechter rekening houden met de argumenten van deze laatste partij die in een procedure voor de rechter van de lidstaat van herkomst nog niet naar voren konden worden gebracht. De argumenten die reeds behandeld werden dan wel behandeld hadden kunnen worden, mogen door de rechter niet in aanmerking worden genomen, aangezien dit in strijd zou zijn met het verbod van révision au fond van art. 45 lid 2 EEX-Vo.3 Indien de exequaturrechter niet tot aanhouding van de zaak overgaat en een beslissing op het rechtsmiddel van art. 43 EEX-Vo neemt, zou in de procedure op het rechtsmiddel van art. 44 EEX-Vo in beginsel alsnog een aanhouding op grond van art. 46 kunnen worden gevraagd. Dit zal zich mijns inziens in de praktijk niet voordoen. Gaat de rechter, oordelend op het 'eerste' rechtsmiddel, niet over tot aanhouding, dan kan tijdens de procedure op het 'tweede' rechtsmiddel worden aangevoerd, dat dit wel had moeten geschieden. Desgewenst kan opnieuw een aanhouding worden verzocht. De complicatie die zich hierbij voordoet, is dat de rechter die op het rechtsmiddel van art. 44 beslist, slechts een uitspraak mag doen over beroep over een rechtsvraag, zonder over de feiten van het geschil te oordelen.4 De vraag of de rechter een zaak moet aanhouden, is een feitelijke vraag en mag derhalve in een procedure over een rechtsvraag niet meer aan de orde komen.
Mijns inziens is de mogelijkheid tot het instellen van een verzoek tot aanhouding in de procedure op het 'tweede' rechtsmiddel in strijd met het doel van de EEXVerordening. De verordening wil een versnelde procedure tot het verkrijgen van een exequatur bewerkstelligen. Het indienen van een verzoek tot aanhouding vertraagt alleen maar dit proces.5