Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/9.3.5.2
9.3.5.2 Onderling afgestemde feitelijke gedragingen
J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS372401:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 14 juli 1972, ECLI:EU:C:1972:70 (ICI/Commissie).
De verschillende taalversies wijken op dit punt af. De Franse lijkt het meeste op de Nederlandse, maar in de Engelse en Duitse versie is genoemde nuance niet terug te vinden.
Vgl. HvJ EG 15 juni 1976, ECLI:EU:C:1976:85 (EMI/CBS), punt 30-31. Het Hof stelde vast dat een bepaalde ondernemersafspraak formeel niet langer gold en ging vervolgens na of deze materieel nog wel werkzaam was, waarvoor zij enige criteria formuleerde. Niet duidelijk is of het hier nog ging om “overeenkomst” of om een afgestemde gedraging. Vgl. HvJ EG 3 juli 1985, ECLI:EU:C:1985:284 (Binon), punt 17.
HvJ EG 8 juli 1999, ECLI:EU:C:1999:356 (Commissie/Anic), punt 131. Dit is herhaald in HvJ EG 4 juni 2009, ECLI:EU:C:2009:343; NJ 2009/432 m.nt. Mok (T-Mobile Netherlands e.a./NMA), punt 23.
HvJ EG 3 juli 1985, ECLI:EU:C:1985:284 (Binon), punt 17.
HvJ EG 16 december 1975, ECLI:EU:C:1975:174 (Suiker Unie e.a./Commissie), punt 173.
Vgl. ook HvJ EG 14 juli 1981, ECLI:EU:C:1981:178 (Züchner), punt 14.
Art. 101 VWEU – en het daarvan afgeleide art. 6 Mededingingswet – verklaart onverenigbaar met de interne markt en daarom verboden:
“[…] alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen [onderstr. JHLB] welke de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst […]”
Deze categorie moet omzeiling van de mededingingsrechtelijke beperkingen aan overeenkomsten tussen concurrenten voorkomen. Dit werd reeds in 1972 bevestigd door het Europese Hof:
“64 Overwegende dat zo artikel 85 het begrip ‘onderling afgestemde feitelijke gedraging’ van die der ‘overeenkomsten tussen ondernemingen’ […] onderscheidt, daarbijde bedoeling voorzit onder de verboden van dit artikel een vorm van coördinatie tussenondernemingen te begrijpen, die, zonder dat het tot een eigenlijke overeenkomst komt,de risico’s der onderlinge concurrentie welbewust vervangt door een feitelijke samenwerking.
65 Dat de onderling afgestemde feitelijke gedraging derhalve naar haar aard niet allebestanddelen van een overeenkomst omvat, doch onder anderen het resultaat kan zijn vaneen coördinatie welke in het gedrag der deelnemers tot uitdrukking komt.”1
Uit het begin van de eerste geciteerde alinea lijkt te volgen dat het Europese Hof onderling afgestemde gedragingen niet noodzakelijk als een afzonderlijke categorie – naast overeenkomsten – ziet.2 ,3 Later heeft het echter verduidelijkt dat beide begrippen “in subjectief opzicht samenspanningsvormen met hetzelfde karakter omvatten en dat zij enkel verschillen in de intensiteit en in de vorm waarin zij zich manifesteren”.4 Anders gezegd is het mededingingsrecht “meer geïnteresseerd (…) in de economische gevolgen van overeenkomsten en van iedere vergelijkbare vorm van onderlinge afstemming of coördinatie – dan in de rechtsvorm ervan.”5
Het begrip “onderling afgestemde feitelijke gedragingen” en de toepassing daarvan is in de rechtspraak van het Europese Hof verder uitgekristalliseerd. Voorzover hier van belang, is later verduidelijkt dat de begrippen van coördinatie en samenwerking geenszins een vooropgesteld plan impliceren en dat zij dienen te worden verstaan in het licht van de in de verdragsvoorschriften inzake de mededinging besloten voorstelling, dat iedere ondernemer zelfstandig moet bepalen welk beleid hij op de gemeenschappelijke markt zal voeren.6 Dit betekent niet dat marktpartijen hun gedrag niet mogen aanpassen aan dat van concurrenten. Wel staat het in de weg aan contact tussen zulke ondernemers, dat ten doel of ten gevolge heeft dat mededingingsvoorwaarden ontstaan die niet met de normaal te achten voorwaarden van die markt overeenkomen.7 Ten slotte verdient vermelding dat op grond van een bijzonder vermoeden van de bij de afstemming betrokken ondernemingen mag worden geëist dat zij het bewijs leveren dat die afstemming geen invloed op hun marktgedrag heeft gehad.