Einde inhoudsopgave
De integratie van fiscale gegevens in het rijksbrede toezicht (FM nr. 155) 2018/2.4.2.4
2.4.2.4 Belangenafweging van de publieke versus private waarden
M. Snippe, datum 20-10-2018
- Datum
20-10-2018
- Auteur
M. Snippe
- JCDI
JCDI:ADS376470:1
- Vakgebied(en)
Privacy / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
J. de Zeeuw, Informatieverstrekking door de fiscus. Ontheffing van de fiscale geheimhoudingsplicht in het licht van privacywetgeving, Registratiekamer, 1999, p. 25; zie ook PHR conclusie A-G Van Soest, 8 januari 1986, LJN:AW8125, BNB 1986/ 128.
Zie bijvoorbeeld HR 8 januari 1986, LJN:AW8125, BNB 1986/128; HR 4 juli 1989, BNB 1989/258; HR 11 december 1991, LJN:AW5744, BNB 1992/243 en FED 92/178.
Vgl. brief van de Registratiekamer van 19 september 1997, nr. 96.B.0262.01, V-N 1998/45.10 resp. Hof Leeuwarden 29 november 2011, nr. 10/00326, V-N 2012/14.6.
L.J.A. Damen e.a., Bestuursrecht 1, 2009, p. 314. ‘Van beoordelingsvrijheid is sprake als het bestuursorgaan bij het nemen van een besluit vrij is om te beoordelen of aan de in de wet genoemde voorwaarden is voldaan. Van beleidsvrijheid is sprake als het bestuursorgaan vrij is om al dan niet van een bevoegdheid gebruik te maken.’
Conclusie A-G Niessen 16 augustus 2016, ECLI:NL:PHR:2016:885, 3.20. en bijlagen van 16 augustus 2016 in de zaken met nrs. 15/05826 (ECLI:NL: PHR:2016:853), 15/02068 (ECLI:NL:PHR:2016:884) en 15/02069 (ECLI:NL: PHR:2016:883). Ook het IVBPR (art. 17) is van toepassing. Vanwege de directe doorwerking van het EVRM heeft dit toetsingskader nauwelijks invloed en behandel ik dan ook verder niet in dit onderzoek; G. Overkleeft-Verburg, Het grondrecht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. In: A. K. Koekkoek, De Grondwet, Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, 2000, p. 159.
EHRM 26 april 1979, nr. 6538/74 (Sunday Times vs. Verenigd Koninkrijk) en EHRM 4 mei 2000, nr. 28451/95 (Rotaru vs. Roemenië), par. 52.
F.C. van der Jagt, Het recht op bescherming van persoonsgegevens, hfst. 7, p. 165. In: M.L. van Emmerik (e.a.), Grondrechten, Nationale, Europese en internationale dimensie, ArsAequi, 2013.
Zie onder meer EHRM 26 april 1979, nr. 6538/74 (Sunday Times vs. Verenigd Koninkrijk); EHRM 24 april 1990, nr. 11105/84 (Huvig vs. Frankrijk); EHRM 24 april 1990, nr. 11801/85 (Kruslin vs. Frankrijk) en EHRM 25 maart 1998, nr. 23224/94 (Kopp vs. Zwitserland).
Zie EHRM 24 april 1990, nr. 11801/85 par. 27 (Kruslin vs. Frankrijk); zie ook EHRM, 2 augustus 1984, nr. 8691/79 par. 67 (Malone vs. Verenigd Koninkrijk). En zie ook EHRM 4 mei 2000, nr. 28341/95 (Rotaru vs. Roemenië); EHRM 25 september 2001, nr. 44787/98 (P.G. en J.H. vs. Verenigd Koninkrijk) en meer recent EHRM 29 april 2014, nr. 52019/07 (L.H. vs. Letland).
Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, 7 december 2000, Pb EG 2000 C 364/1. In casu het recht op eerbiediging van het privØleven (art. 7 EU- Handvest) en het recht op bescherming van zijn persoonsgegevens (art. 8 lid 1 EU- Handvest). Zie HvJ EU 8 april 2014, gevoegde zaken C-293/12 en C-594/12, (Digital Rights Ierland en Seitlinger) en HvJ EU 6 oktober 2015, C-362/14 (Schrems). De beperkingen die mogen worden gesteld aan het recht op bescherming van de persoonsgegevens in de zin van het Handvest, komen overeen met die welke worden toegestaan in het kader van artikel 8 EVRM. Zie bijvoorbeeld HvJ EU 9 november 2010, gevoegde zaken C-92/09 en C-93/09 (Schecke en Eifert/Land Hessen).
HvJ EU 16 mei 2017, ECLI: EU:C2017:373, C-682/15 (Berlioz Investment Fund SA). Het betrof een informatieverzoek in het kader van de internationale bijstand ten aanzien van de belastingheffing van een derde. De redactie Vakstudie Nieuws merkt in zijn noot bij dit arrest op dat uit het arrest-Sabou af te leiden valt dat het Unierecht in de fase van inforamtie-uitwisseling geen rechten creëert voor de belastingplichtige in de verzoekende staat HvJ EU 22 oktober 2013, nr. C-276/12 (Sabou), V-N 2013/55.22.1). De redactie concludeert echter dat het geen verschil moet uitmaken, V-N 2017/27.5.
HvJ EU 16 mei 2017, ECLI: EU:C2017:373, C-682/15 (Berlioz Investment Fund SA).
Van inmenging in het privØ leven is al snel sprake en dat strekt zich ook uit tot de werkomgeving. Ter illustratie: zelfs contacten van werknemers tijdens werktijd kunnen daaronder vallen (EHRM 16 december 1992, nr. 13710/88 (Niemietz vs. Duitsland)), evenals telefoongesprekken van werknemers vanaf de werkplek (EHRM 25 juni 1997, nr. 20605/92 (Halford/Verenigd Koninkrijk) en internet- en emailverkeer (EHRM 3 april 2007, nr. 62617/00 (Copland vs. Verenigd Koninkrijk)).
HR 23 april 2013, LJN:BY5352 onder verwijzing naar EHRM 16 april 2002, nr. 37971/97 (SociØtØs Colas vs. Frankrijk), NJ 2003/452, V-N 2002/47.5, AB 2002/277.
EHRM 19 juni 2006, nr. 35014/97 (Hutten-Czapska vs. Polen).
EHRM 14 mei 2013, nr. 66529/11, par. 57 en 61, ( N.K.M. versus Hongarije): ‘a fair balance’ between the interests of the affected individual and the general interest. In considering the question whether the third condition has been met, the legislature in matters of taxation must be left a wide margin of appreciation’.
J.H. Gerards, Het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4 lid 2 Awb en het Europese recht, hoofdstuk 5. In: Tom Barkhuysen en Willemien den Ouden (red), Europees recht effectueren, 2007, p. 73 – 113. In uitspraken van het EHRM vormen de beginselen van noodzakelijkheid en subsidiariteit veelal de kern van de evenredigheidstoets; zie ook J. Schwarze, Europäisches Verwaltungsrecht, Entstehung und Entwicklung im Rahmen der Europäischen Gemeinschaft, 2005, p. 661 e.v.
Ter illustratie het voorbeeld waarin de inmenging minder ingrijpend had kunnen plaatsvinden. Een persoon die in verband met een mislukte zelfmoordpoging in de media in beeld was gebracht, had ook op een minder herkenbare wijze in de media in beeld kunnen worden gebracht. Ontleend aan F.C. van der Jagt, Het recht op bescherming van persoonsgegevens, hfst. 7, p. 165. In: M.L. van Emmerik e.a., Grondrechten, Nationale, Europese en internationale dimensie, ArsAequi, 2013. EHRM 28 januari 2001, nr. 44647/98 (Peck vs.Verenigd Koninkrijk); zie ook J.H. Gerards, Het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4 lid 2 Awb en het Europese recht, hoofdstuk 5. In: Tom Barkhuysen en Willemien den Ouden (red), Europees recht effectueren, 2007, p. 83
De belangenafweging (‘de noodzaak’) komt bijvoorbeeld naar voren in het oordeel van het HvJ EU in het aanvaarden dat doorzoeking van een commerciële bedrijfsruimte gemakkelijker te rechtvaardigen en sneller toelaatbaar is dan doorzoeking van een woonhuis, zie HvJ EU 18 juni 2015, zaak C-583/13 P, ECLI:EU: C:2015:404 (Deutsche Bahn), par. 20.
Art. 5:13 Awb geeft codificatie van het evenredigheidsbeginsel. Dit artikel is met ingang van 1 januari 1998 ingevoerd bij Wet van 20 juni 1996 Stb. 1996, 333 (wetsvoorstel 23 700), Kamerstukken II 1994/95, 23 780, nr. 8, punt 6.46 ‘Artikel 5.1.3 bevat een algemene norm die de toezichthouder in acht moet nemen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden. Het optreden van de toezichthouder dient steeds te voldoen aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.’ In de memorie van Toelichting bij Wet van 20 juni 1996 Stb. 1966, 333 (wetsvoorstel 23 700), Kamerstukken II 1993/94, 23 780, nr. 3 was al opgenomen ‘Artikel 5.1.3 is het formeel-juridische aanknopingspunt voor de inachtneming van dergelijke zorgvuldigheidsvereisten.’.
Voor het Toezicht op naleving is dit apart geregeld in art. 5:13 Awb, Wet van 20 juni 1996 Stb. 1966, 333 (wetsvoorstel 23 700), Kamerstukken II 1993/94, 23 780, nr. 3: ‘Er zij nog op gewezen dat art. 5.1.3 een specifieke invulling geeft aan art. 3:4, tweede lid, van de Awb, waarin het evenredigheidsbeginsel reeds in algemene zin is neergelegd. Dit beginsel geldt ingevolge art. 3:1, tweede lid, immers ook voor andere handelingen dan besluiten, echter voor zover de aard van de handelingen zich daartegen niet verzet. Om eventuele twijfel weg te nemen over de toepasselijkheid op de uitoefening van toezicht van de algemene norm van art. 3:4, tweede lid, van de Awb is het onderhavige artikel van belang. Daarnaast noodzaakt de aard van de handelingen in kwestie – feitelijk handelen dat rechtstreeks ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer van de burger – tot een zekere aanscherping van die algemene norm.’
Conclusie A-G Niessen 16 augustus 2016, ECLI:NL:PHR:2016:885, 3.20. en bijlagen van 16 augustus 2016 in de zaken met nrs. 15/05826 (ECLI:NL: PHR:2016:853), 15/02068 (ECLI:NL:PHR:2016:884) en 15/02069 (ECLI:NL: PHR:2016:883).
Groot woordenboek van de Nederlandse taal, Dikke Van Dale online, geraadpleegd: 10 februari 2017.
De strekking van beide begrippen is al eeuwen onderwerp van diepgaande discussies (zie o.a. I. Kant, Kritiek van de zuivere rede, Boom uitgevers: Amsterdam 2004 (oorspronkelijk: Kritik der reinen Vernunft, Riga: Hartknoch 1781 (1ste druk) en 1787 (2de herz. druk). In het kader van deze studie versta ik onder het begrip rede het (cognitief) handelen dat gebruikmaakt van analyse, afwegen van opties en synthetiseren van bevindingen, resulterend in een oordeel wat ‘men’ (de maatschappij) redelijk vindt.
Rb. Oost-Brabant 26 november 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:6553.
De inspecteur dient redelijk gebruik te maken van zijn bevoegdheden, zie Kamerstukken 1990/91, 21 287, nr. 5 p. 9. Vanuit de schaarse jurisprudentie komt naar voren dat gepast gebruik maakt van zijn bevoegdheden en rekening houdt met de grenzen die de wetgever daaraan heeft gesteld, zie hierover o.a. het bevragen van personeelsleden van de inhoudingsplichtige, Kamerstukken II 1990/91, 21 287, p. 15- 16 en nr. 8 p. 13. Maar ook het fair play beginsel – waarin het bestuur de burger voldoende gelegenheid moet geven om zijn rechten geldend te maken – wordt hieronder gerekend, zie HR 6 februari 1999, LJN:AA2637, BNB 1990/170; zie ook HR 25 oktober 1989, LJN:ZC4125, BNB 1990/6 en HR 23 september 2005, LJN:AU3140, BNB 2006/21 en V-N 2005/46.5. Zie ook Nationale Ombudsman 23 juni 2010, nr. 2010/170, V-N 2010/33.27.
HR 19 maart 2010, LJN:BK1513.
Zie hiervoor de arresten Funke (EHRM 25 februari 1993, nr. 10828/84) en StØs Colas Est (EHRM 16 april 2003, nr. 37971/97).
HR 8 januari 1986, LJN:AW8125, BNB 1986/128; HR 28 mei 1986, LJN:AW8017, BNB 1986/238; HR 4 november 1992, LJN:ZC5152, BNB 1993/90; Hof Leeuwarden 20 september 1996, FutD 1996/2074.
HR 10 februari 1988, LJN:ZC3761, BNB 1988/160 m.nt. Hofstra, V-N 1988/703.4m.nt. van de Redactie, FED 1988/273 m.nt. Wattel, AB 1988/547 m.nt. De Waard.
Zie voor uitgebreide behandeling R.H. HappØ, L.F. van Kalmthout, M.R.T. Pauwels, L.J.A. Pieterse en M.A. Schreinemachers, Algemeen fiscaal bestuursrecht, hoofdstuk 3, Deventer: Kluwer 2017.
Rb. Gelderland, 18 november 2014; zie ook Rb. Gelderland, 18 november 2017, V-N 2015/17.11.
Hof ’s-Hertogenbosch, 19 augustus 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:2803. ‘Dat laat echter onverlet dat de door de Belastingdienst gehanteerde wijze van bevraging tevens onderworpen is aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit, die daarbij (telkens) betracht moet worden. Daarbij is het niet van belang of de Belastingdienst ten tijde van het opvragen dan wel raadplegen van inlichtingen en gegevens bij een administratieplichtige ten behoeve van belastingheffing van derden nog niet weet of die inlichtingen en gegevens van belang zijn voor de belastingheffing bij een bepaalde belastingplichtige (HR 22 september 2006, LJN:AY8656, BNB 2007/45).’
Zie HR 28 mei 1986, nr. 23 784, LJN:AW8017, BNB 1986/238 de hoofdtekst rept over “verschillende arresten” m.nt. Scheltens waarin de Hoge Raad oordeelt dat ‘zo artikel 47 van voormelde Wet al geacht moet worden de uitoefening van het door artikel 8, eerste lid, van eerstgenoemd Verdrag gewaarborgde recht te beperken, die beperking kan worden aangemerkt als ‘necessary in a democratic society in the interest of the economic well-being of the country” in de zin van tweede lid van dat artikel.’
De Hoge Raad oordeelt in zijn arrest van 10 december 1974, nr. 67574 (Stad Rotterdam), LJN:1974:AB4412, na conclusie A-G Remmelink, BNB 1975/2 m.nt. Van Duyn over het art. 53 AWR: ‘(…) dat toch, voor zover artikel 49, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen al geacht kan worden de uitoefening van het in artikel 8, eerste lid, van het verdrag gewaarborgde recht op ‘respect for his private and family life… and his correspondence” te beperken, zulks ingevolge het bepaalde in het tweede lid van dat verdragsartikel wordt toegestaan, nu zodanige beperking kan worden aangemerkt als ‘necessary in a democratic society in the interest of the economic well-being of the country”; dat derhalve ook dit middel geen doel treft; (…).’
Zie HR 8 januari 1986, LJN:AW8125, BNB 1986/128; Rb. Gelderland 4 juni 2013, LJN:CA1899.
Resolutie 585-17771 van 12 augustus 1985.
HR 3 februari 2006, LJN:AV0821, BNB 2006/204 en LJN:AV08206, BNB 2006/ 205.
Kamerstukken II 1994/95, 23 700, nr. 5, p. 55. Zie par. 5.3.2.4.
’ (…) een dergelijke inbreuk is gerechtvaardigd door de noodzaak in een democratische samenleving vanwege het belang van het economisch welzijn van het land.’ Hof ’s-Hertogenbosch, 19 augustus 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:2803; zie ook HR 10 december 1974, BNB 1975/52 (Stad Rotterdam), en meer recent HR 28 januari 1998, BNB 1998/147 en HR 13 mei 2005, NJ 2005/423.
HvJ EU 16 mei 2017, C-682/15 (Berlioz Investment Fund SA).
Gerards e.a., Grondrechten. De nationale, Europese en internationale dimensie, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2013, p. 166.
EHRM 19 juni 2006, nr. 35014/97 (Hutten-Czapska vs. Polen).
Een voorbeeld hiervan is het opvragen van gegevens en inlichtingen in de beroepsfase op basis van ‘vrijwillige medewerking’. Hof Amsterdam 30 juni 1999, V- N 1999, p. 4011; Hof Amsterdam 2 mei 2013, LJN:CA0464.
HR 27 september 2002, LJN:AD8780.
EHRM, 14 maart 2013, nr. 24117/08 (Bernh Larsen Holding AS e.a. vs. Noorwegen).
Het verbod op dØtournement de pouvoir, ‘machtsverdraaiing’ of ‘afwending van bevoegdheid’, is een verbod voor bestuursorganen om bestuursbevoegdheden te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor ze gegeven zijn. Dit verbod is ontstaan uit jurisprudentie van de Hoge Raad en is nadien gecodificeerd in art. 3:3 Awb.
HR 26 april 1988, LJN:AD5708, NJ 1989/390.
Nationale ombudsman 6 oktober 2009, 2009/210: ‘de schijn doen ontstaan dat de Belastingdienst beoogde toegang te verschaffen tot de woning ten behoeve van de medewerkers van de gemeente Amsterdam en daarmee een hun gegeven bevoegdheid te misbruiken. Deze gedraging is niet behoorlijk.’ zie ook Nationale ombudsman 14 mei 2009, 2009/095.
Een verplichting tot het verstrekken van gegevens en inlichtingen is derhalve gelegen in de omstandigheid dat die van belang kunnen zijn voor de belastingheffing. Wanneer de Belastingdienst geen gegronde reden heeft om van de aangifte af te wijken, geen vermoeden, geen concrete aanwijzing van verzwegen inkomsten, en ook uit anderen hoofde geen redenen heeft inlichtingen te vragen, dan is een informatieverzoek (al dan niet geformaliseerd met een beschikking) niet gerechtvaardigd. Doet hij dat toch dan handelt hij in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Er bestaat geen verplichting tot medewerking. Zie onder meer HR 8 januari 1986, LJN:AW8125, BNB 1986/128; HR 22 februari 1989, BNB 1989/145.
Voor het EU-Handvest is daarbij een algemeen belang reeds voldoende, art. 52 lid 1 EU-Handvest.
De functionele reikwijdte van de toezichtbevoegdheden wordt bepaald door het wettelijke kader en de jurisprudentie. Een toezichthouder is bij het uitoefenen van zijn taak in beginsel gebonden aan zijn wettelijke bevoegdheden. De inmenging in het persoonlijke domein mag volgens het legitimiteitsbeginsel nimmer verder strekken dan de wet mogelijk maakt. Dat is het maximum. De functionaliteit van de bevoegdheden vloeit daarentegen voort uit omstandigheden. Wat is in een bepaalde situatie nodig? Het uitoefenen van toezicht is het voortdurend afwegen van publieke – versus private waarden.
Algemene beginselen voor belangenafweging
Vanuit de wettelijke grondslag en de noodzaak voor de wettelijke taakuitoefening, moet het bestuursrechtelijk handelen in overeenstemming zijn met de algemene beginselen van proportionaliteit (de inmenging in het persoonlijke domein mag niet onevenredig zijn in verhouding tot het nagestreefde doel) en subsidiariteit (het nagestreefde doel moet niet op een voor de burger minder ingrijpende wijze kunnen worden bereikt).1 Bij de uitoefening van zijn taak is de Belastingdienst in elk geval gebonden aan deze algemene beginselen van behoorlijk bestuur.2 Bij zowel het stellen van serievragen als in individuele gevallen.3 Dit geldt temeer wanneer een bestuursorgaan in meer of mindere mate de vrijheid heeft om in concrete gevallen naar eigen inzicht een besluit te nemen: de zogenaamde discretionaire bevoegdheid.4
Fundamentele rechten op bescherming van inmengen in het persoonlijke domein
De (buiten)wettelijke mogelijkheden tot informatievergadering en verdere verwerking van persoonsgegevens door overheidsinstanties als de Belastingdienst worden, naast de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, wettelijk begrensd door de Grondwet en EVRM (het recht op privacy).5 Dat biedt de bescherming voor de hiervoor genoemde ‘rust’ in het persoonlijke domein: privacy. Dat vraagt om specifieke belangenafweging.
Volgens vaste jurisprudentie van het EHRM dient de inmenging [MS: en aantasting] immers noodzakelijk te zijn in een democratische samenleving (art. 8 lid 2 EVRM).6 Daarin komt naar voren dat de wettelijke grondslag voor de betrokkene toegankelijk moet zijn opdat hij kan voorzien wat de consequenties van de wettelijke bepaling zijn in zijn specifieke geval en hij zijn gedrag daarop kan afstemmen.7 De grondslag moet liggen in nationale wetgeving.8 Daarnaast stelt het EHRM een aantal kwaliteitseisen aan die wettelijke grondslag.9 Het recht op bescherming van privacy wordt tevens beschermd door het EU-Grondrechtenhandvest (artt. 7 en 8 EU-Handvest).10 Ook dat kan van toepassing zijn bij het verkrijgen (en verstrekken) van gegevens.11 Het Hof van Justitie oordeelt dat het uitoefenen van bevoegdheden bij een internationaal bijstandsverzoek ‘forseeable relevant’ moet zijn.12
Als uitgangspunt (eerste criterium) voor gerechtvaardigde inmenging geldt dat er sprake moet zijn van een legaliteitsvereiste (‘lawfulness’) en: het moet dus gaan om uitvoering geven aan een wettelijke taak.13 Daarnaast moet er sprake zijn van ‘pressing social need’. Daarvoor gelden als criteria dat de uitvoering zelf ‘relevant and sufficient’ en ‘proportionate to the legitimate aims pursued’ moet zijn.14 De inbreuk mag niet onevenredig zijn in verhouding met het doel: een belangenafweging is nodig met het oog op de omstandigheden van het geval, het algemeen belang en die van het individu.15 Er moet een ‘eerlijke balans’ zijn in het individuele en collectieve belang.16 Bij de toepassing van deze belangenafweging spelen het proportionaliteits- én subsidiariteitsbeginsel een belangrijke rol.17Subsidiariteit – met de afweging van alternatieven – is geen zelfstandig criterium noch expliciet onderdeel van het proportionaliteitsbeginsel.18 Het kan echter wel onderdeel uitmaken van de proportionaliteit in het kader van de handelwijze bij het inmengen in het persoonlijke domein.19 De noodzakelijkheid en proportionaliteit zal aanwezig moeten zijn ter bereiking van een legitiem doel.20 Deze criteria sluiten aan bij het genoemde wettelijk kader en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Wat de belangen in concreto zijn noch de zwaarte daarvan, staat op voorhand vast.
De juridische spil voor het afwegen van (toezichts)belangen
De Awb codificeert de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit in het evenredigheidsbeginsel (art. 5:13 Awb). Dat bepaalt dat de uitoefening van toezichtsbevoegdheden ‘relevant en toereikend’ moet zijn en ‘in verhouding staan tot de legitieme doelen die worden nagestreefd’. Alternatieven zullen daarbij betrokken moeten worden.21 De handelwijze dient ‘redelijkerwijs noodzakelijk te zijn voor de vervulling van zijn taak’.22 Deze zogenaamde noodzakelijkheidseis wordt mede ingevuld aan de hand van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.23 Dat vloeit voort uit het lemma ‘redelijkerwijs’ dat billijkheid impliceert.24 De toezichthouder moet te werk gaan volgens de rede (of in het Latijns: ratio).25
Het evenredigheidsbeginsel houdt in ieder geval in dat de toezichthouder een bevoegdheid niet mag uitoefenen als dat voor de vervulling van zijn taak niet redelijkerwijs noodzakelijk is.26 Dat vormt de spil voor het uitoefenen van bevoegdheden. Dit betekent onder meer dat een aantal bevoegdheden die krachtens de Awb aan toezichthouders toekomt voor sommigen geen betekenis hebben, omdat de aard van de voorschriften op de naleving waarvan zij toezien, dit niet met zich meebrengt (par. 4.2).
Uit het evenredigheidsbeginsel vloeit ook voort dat de toezichthouder zijn bevoegdheid moet uitoefenen op een wijze die voor de burger het minst belastend is (art. 5:13 Awb).27 De toezichthouder moet het algemeen belang voor zijn wettelijke taakuitoe fening en het individuele belang van de gegevensverstrekker (vanuit met name de fundamentele rechten van privacy, huisvrede, briefgeheim waaronder bedrijfsgeheimen en eigendom) tegen elkaar afwegen. Dit moet hij in zijn proces van besluitvorming zorgvuldig doen (art. 3:2 Awb).28 Dat kan zelfs tot gevolg hebben dat het bestuursorgaan actief de belanghebbende moet voorlichten als zijn belangen geschaad kunnen worden.29 Ook moeten er juridische waarborgen zijn om misbruik van regelingen door de Staat te voorkomen.30 Daarover straks meer (zie par. 2.4.3).
Een soortgelijke belangenafweging geldt ook voor de Belastingdienst voor het opleggen van verplichtingen ten dienste van de belastingheffing: hij moet bij het opleggen van wettelijke verplichtingen (het legitimiteitsbeginsel als uitwerking van de ‘pressing social need’) zorgvuldig zijn belangen afwegen met die van de gegevensverstrekker.31 Het toetsingskader om toezichthoudende bevoegdheden aan te kunnen wenden (uitoefenen van de discretionaire bevoegdheid) staat derhalve naast het algemene wettelijke kader en de jurisprudentie over de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.32 De gecodificeerde beginselen in de Awb zijn, met uitzondering van het evenredigheidsbeginsel ex art. 5:13 Awb, onverkort van toepassing in fiscalibus.33 In de fiscale jurisprudentie is tevens de begrenzing voor art. 47 AWR te vinden in het evenredigheidsbeginsel (3:4 Awb): ook hier vindt een belangenafweging plaats.34 Daarbij spelen de belangen van zowel proportionaliteit als subsidiariteit een rol.35
Voor het uitoefenen van fiscale toezichtsbevoegdheden moet, zoals gezegd, in elk geval sprake zijn van een noodzaak voor een effectieve uitvoering van de wettelijke taak. In verschillende arresten heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het gebruik van de fiscale bevoegdheden (art. 47 AWR) een noodzakelijke inbreuk is in de democratische rechtsorde in het belang van het economische welzijn van het land.36 Ook ‘derden’ kunnen geconfronteerd worden met die noodzaak.37 De noodzaak (‘waarde’) hoeft fiscaal echter niet op voorhand vast te staan: de gegevens moeten van belang kunnen zijn.38 Het hoeft dus niet bij voorbaat vast te staan dat de gevraagde informatie ook werkelijk fiscaal relevant is. Het is voldoende dat bepaalde informatie redelijkerwijs fiscaal relevant zou kunnen zijn.39 Bij het verkrijgen van gegevens en inlichtingen dan wel het opleggen van administratieve verplichtingen, is het (mogelijke) fiscale belang op dat moment en voor die toepassing bepalend.40 De inspecteur zal op dat moment een mogelijk fiscaal belang aanwezig achten. De causaliteit moet aanwezig zijn en het belang moet desgevraagd gemotiveerd kunnen worden (art. 3:46 Awb).41 De belangen om op dat moment effectief en efficiënt uitvoering te kunnen geven aan het heffings- en inningsproces van belastingen moeten worden gewogen.42
Zonder op deze plaats tot een oordeel daarover te komen, is het de vraag of het fiscale begrip ‘van belang kan zijn’ ook overeenkomt met ‘noodzakelijk’ (zie par. 5.3.2.4). Dat begrip lijkt immers eerder aan te sluiten op ‘forseeable relevant’.43 Uiteraard moet dat mogelijke belang wel zwaar genoeg zijn en voorzienbaar.
De belangenafweging voor toezichtssferen
Het overheidshandelen moet naar de algemene beginselen behoorlijk zijn. Ook mag de inbreuk op de privacy van de betrokkene niet onevenredig zijn in verhouding met het doel: het moet proportioneel zijn op individuele basis.44 Het proportionaliteitsbeginsel vergt ook dat er steeds een belangenafweging plaats moet vinden, waarbij gekeken moet worden naar de omstandigheid van het geval, het algemeen belang en de op het spel staande belangen van het individu.45
Voor het ‘overrulen’ van het publieke belang boven het private moet de noodzaak daartoe aanwezig zijn: het uitoefenen van bevoegdheden is dan ook het resultaat van een individuele afweging van de belangen naar evenredigheid, proportionaliteit en subsidiariteit. Dat kan voor de onderscheiden toezichtssferen verschillen. Daarnaast strekt het fiscale toezicht zich uit over meerdere handhavingssferen.
In volgende figuur geef ik dit weer met op de horizontale as de negatieve individuele belangen (exemplarisch economische belangen en de privacy) en op de verticale as het toezichtsbelang vanuit de noodzaak voor het (fiscale) toezicht. Wanneer dat belang voldoende groot is, kunnen de (verplichte/ gevorderde) gegevens en inlichtingen binnen de reikwijdte (cirkel) van het (fiscale) toezicht worden ‘vergaard’ (het fiscale toezicht heb ik elliptisch weergegeven vanwege de meerdere handhavingssferen). Een sterker (‘zwaarder’) negatief belang vraagt om een groter noodzakelijk toezichtsbelang om tot verplichte medewerking te kunnen komen.
En dat belang is op zijn beurt afhankelijk van de gegevens die de toezichthouder wil vergaren.
Figuur 14: Belangenafweging voor toezichtssferen
In uitzonderlijke situaties kan de Belastingdienst buiten zijn wettelijke kader gegevens en inlichtingen opvragen. Het gaat dan om de vrijwillige medewerking van burgers en bedrijven.46 Maar ook dan heeft de Belastingdienst zich te houden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de plicht om de mensenrechten te respecteren. Hij betreedt immers het persoonlijke domein van de betreffende burger en/of dat bedrijf.47 Daarbij gaat het om de specifieke situatie waarin de belangenafweging moet plaatsvinden. De inmenging in de fundamentele rechten moet ook dan in balans zijn met de noodzaak voor effectief toezicht door de Belastingdienst.48
Het is niet toegestaan gebruik te maken van een bevoegdheid voor (eveneens) een ander doel dan waarvoor die is verleend. Dat is machtsmisbruik en als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur verboden (‘verbod op détournement de pouvoir’).49 Op grond van dit beginsel mogen wettelijke bevoegdheden alleen worden gebruikt voor het doel waarvoor zij zijn verleend en niet voor andere doeleinden.50 De Nationale ombudsman acht zelfs de schijn van misbruik van bevoegdheden niet behoorlijk.51 Volgens de wettelijke taak en de beperking vanuit de privacywetgeving, kunnen de bevoegdheden van de Belastingdienst daarom wettelijk ‘slechts’ worden aangewend wanneer er een fiscaal belang kan zijn voor het uitvoeren van de wettelijke taak.52 Andere belangen kunnen en mogen nimmer aanleiding zijn voor het uitoefenen van de fiscale toezichtsbevoegdheden. Het EVRM vereist dat de concrete doelstelling van een beperking die inpasbaar is in de doelcriteria (art. 8 lid 2 EVRM).53 Dit brengt mij bij de vierde kaderstellende factor.
Een toezichthouder met eigen specifieke bevoegdheden kan die, vanuit de belangenafweging, alleen aanwenden (indien voorzienbaar relevant) voor zijn eigen wettelijke taak.