Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/1.3.3.1
1.3.3.1 Toerekeningsnorm wordt ingekleurd aan de hand van objectieve wegingsfactoren
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655678:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Klaassen 2017 (Mon. BW B33), nr. 33; Den Hoed 2009, p. 220 en p. 224-225.
In zijn arrest Avi Cranes Ltd./X formuleert de Hoge Raad het toerekeningsverband van art. 6:98 BW met een beroep op de parlementaire geschiedenis als volgt: ‘De vraag of de schade in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust dat zij de aangesprokene als gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend, moet worden beantwoord aan de hand van objectieve factoren als de aard van de aansprakelijkheid en van de schade. In dat kader zal ook wat naar objectief inzicht voorzienbaar of waarschijnlijk was, een rol kunnen spelen.’ (curs. ACWP), zie HR 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:214, r.o. 4.1.2.
Vgl. Klaassen 2017 (Mon. BW B35), nr. 33; Den Hoed 2009, p. 225.
Klaassen 2017 (Mon. BW B35), nr. 33; Asser/Sieburgh 2021 (6-II), nr. 63.
Zie in dit verband de arresten HR 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:214 (Avi Cranes Ltd./X), r.o. 4.2.2 en HR 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2895, JA 2015/15, m.nt. D.A. van der Kooij (X/Saint-Gobain Weber Beamix B.V.), r.o. 3.5.
Aldus Klaassen 2017 (Mon. BW B35), nr. 33.
Brunner 1981a, p. 210 e.v. en p. 233 e.v. Zie voor een ‘update’ van de zogenoemde ‘deelregels’ van Brunner het overzichtsartikel Holthuijsen-van der Kop 2015.
Zie echter kritisch over het automatisme waarmee heden ten dage nog altijd op de deelregels van Brunner wordt teruggrepen Hartlief 2014, p. 2917: ‘Waarom wordt (…) nog altijd verwezen naar een rechtspraakanalyse uit 1981 waaraan hooguit latere rechtspraak als illustratie of voetnoot is toegevoegd? Waarom hebben Hoge Raad en doctrine de betekenis van de rechtspraak niet opnieuw doordacht en op een rijtje gezet?’
Het toerekeningsverband wordt toegepast om vast te stellen of tussen de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust en het ontstaan van de schade (juridisch) causaal verband bestaat en, indien dit het geval is, om te beoordelen welke schadesoorten in welke mate voor vergoeding in aanmerking komen.1 Het voor het toerekeningsverband te hanteren criterium is ‘toerekening naar redelijkheid’. Dit criterium kan worden beschouwd als een overkoepelende norm die in ieder concreet geval moet worden ingekleurd.2 Deze ‘inkleuring’ geschiedt aan de hand van zogenoemde ‘toerekeningsfactoren’ of ‘wegingsfactoren’, waarvan de wet er al twee noemt: de aard van de aansprakelijkheid en de aard van de schade.3 Andere belangrijke toerekeningsfactoren die zowel in de rechtspraak als de literatuur zijn erkend, zijn onder meer de voorzienbaarheid van de schade en de verwijderdheid van de schade.4 Hoewel bij het (bepalen van het) uiteindelijke toerekeningsoordeel de ene toerekeningsfactor doorgaans wat meer gewicht in de schaal legt dan de andere, komt in de regel aan geen van de factoren een doorslaggevend gewicht toe.5 De verschillende factoren moeten steeds in het concrete geval in onderlinge samenhang worden beschouwd en afgewogen.6 Daarbij moeten alle omstandigheden van het geval worden meegewogen.7 Het voordeel van de leer van de redelijke toerekening is dat het de rechter de ruimte biedt de in het kader van de door hem te beantwoorden toerekeningsvraag relevante factoren af te wegen en een op de concrete casus toegesneden causaliteitsoordeel te formuleren.8
Voor de wettelijke toerekeningsfactor aard van de aansprakelijkheid kunnen diverse onderscheidingen worden aangebracht. Men kan hierbij bijvoorbeeld denken aan de volgende categorieën: grondslag van de aansprakelijkheid (onrechtmatige daad of wanprestatie; schuld- of risicoaansprakelijkheid), soort aansprakelijkheid (aansprakelijkheid voor eigen gedrag of (kwalitatieve) aansprakelijkheid voor andermans gedrag), aard en/of strekking van de geschonden norm (verkeers- of veiligheidsnormen dan wel andersoortige normen), aard van de gedraging waaruit de aansprakelijkheid voortvloeit (kan de dader lichte schuld, zware schuld of opzet worden verweten?) en aard van de activiteit waaruit de aansprakelijkheid voortvloeit (aansprakelijkheid voor bedrijfsmatige dan wel voor beroeps- of privé-activiteiten).9 Hoewel in de literatuur onder de noemer ‘aard van de aansprakelijkheid’ doorgaans verschillende aansprakelijkheidscategorieën worden onderscheiden, wil dat niet zeggen dat aan de verschillende categorieën per definitie een verschil in toerekening is verbonden of dat aan de genoemde onderscheidingen in de praktijk ook altijd strikt de hand wordt gehouden.10 In het vervolg van deze paragraaf zal ik voor de toerekeningsfactor aard van de aansprakelijkheid de bekende onderverdeling van Brunner aanhouden, te weten: (i) strekking van de geschonden norm; (ii) schuldgraad; en (iii) aard van de schadeveroorzakende activiteit.11 Deze subcategorisering van Brunner geeft in dit verband namelijk enige richting bij het beantwoorden van de vraag of bepaalde schade al dan niet kan worden toegerekend (zie verder § 1.3.3.2 hierna).12
Ook voor de wettelijke toerekeningsfactor aard van de schade kunnen diverse onderscheidingen worden aangebracht.13 De drie (hoofd)categorieën die in de literatuur in dit verband vaak worden onderscheiden zijn: (i) letsel- en overlijdensschade; (ii) zaakschade; en (iii) (zuivere) vermogensschade.14 Ook deze categorieën geven enige richting bij het beantwoorden van de toerekeningsvraag (zie verder hierna § 1.3.3.3).
In het vervolg van deze paragraaf bespreek ik achtereenvolgens de toerekeningsfactoren aard van de aansprakelijkheid (§ 1.3.3.2), aard van de schade (§ 1.3.3.3), voorzienbaarheid van de schade (§ 1.3.3.4) en verwijderdheid van de schade (§ 1.3.3.5). Per toerekeningsfactor zal ik toelichten in hoeverre de desbetreffende factor voor het onderhavige onderzoek van belang is. Andere toerekeningsfactoren die men in de rechtspraak en de literatuur ook nogal eens tegenkomt, zoals de processuele houding van de aansprakelijk gestelde partij, de draagkracht van de partijen en de beschikbaarheid van een verzekering, zijn voor het onderhavige onderzoek minder van belang en laat ik derhalve buiten beschouwing.15