Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/1.3.3.5
1.3.3.5 Verwijderdheid van de schade
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655853:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie over deze toerekeningsfactor Asser/Sieburgh 2021 (6-II), nr. 64; Schadevergoeding (Boonekamp), art. 6:98 BW, aant. 4.7. Zie in dit verband ook het arrest HR 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2895, JA 2015/15, m.nt. D.A. van der Kooij (X/Saint-Gobain Weber Beamix B. V.), r.o. 3.5-3.6.4.
Asser/Sieburgh 2021 (6-II), nr. 64, onder verwijzing naar Brunner 1981a, p. 214.
Schadevergoeding (Boonekamp), art. 6:98 BW, aant. 4.7.
Asser/Sieburgh 2021 (6-II), nr. 64; Schadevergoeding (Boonekamp), art. 6:98 BW, aant. 4.7.
Asser/Sieburgh 2021 (6-II), nr. 64, onder verwijzing naar Brunner 1981a, p. 214.
Zie in dit verband ook De Jong 2010, p. 55.
Vgl. De Jong 2010, p. 55.
Verder is ook de zogenoemde ‘verwijderdheid van de schade’ een relevante toerekeningsfactor.1 Deze verwijderdheid betreft de lengte van de causale keten tussen enerzijds de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust en anderzijds de ingetreden schade. Aangenomen wordt dat naarmate het schadelijke gevolg minder ver verwijderd is van de aansprakelijkheidvestigende gebeurtenis, toerekening eerder is gerechtvaardigd.2 Wel benadruk ik dat de verwijderdheid van de schade goed moet worden onderscheiden van de voorzienbaarheid van de schade.3 Zo is het in de praktijk geenszins uitgesloten dat bepaalde (schadelijke) gevolgen op zichzelf zeer wel voorzienbaar zijn, maar zij niettemin ver verwijderd zijn van de oorspronkelijke schadeveroorzakende gebeurtenis.4 Indien toerekening van dergelijke ver verwijderde gevolgen niet wenselijk wordt geacht, kan dit worden bereikt door toetsing aan – om met Brunner te spreken – het ‘nabijheidscriterium’.5
De toerekeningsfactor verwijderdheid van de schade is voor het onderhavige onderzoek om twee redenen van belang. In de eerste plaats komt het in de beleggingspraktijk nogal eens voor dat bepaalde koersschade weliswaar onmiskenbaar in csqn-verband staat met de misleiding, maar deze – desondanks – niet direct door de misleiding is veroorzaakt. Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin de belegger bij afwezigheid van de misleiding het litigieuze aandeel in het geheel niet zou hebben gekocht, maar waarin het tegelijkertijd zo is dat de misleidende informatie – om wat voor reden dan ook – de koers op geen enkele wijze heeft beïnvloed. In zo’n geval is het door de belegger geleden koersverlies volledig (en direct) terug te voeren op (aan de misleiding) externe factoren en niet op de misleidende informatie zelf. Wanneer toerekening van dergelijk koersverlies niet wenselijk wordt geacht, kan toetsing aan het nabijheidsverband hierin voorzien.
De tweede reden waarom de verwijderdheid van de schade voor het onderhavige onderzoek van belang is, is gelegen in het feit dat het in de praktijk nogal eens voorkomt dat niet alleen de vennootschap wordt aangesproken wegens het geven van een misleidende voorstelling van zaken, maar – naast de vennootschap – ook een derde die nauw bij de misleiding betrokken is geweest (zoals een bestuurder of een adviseur).6 Wanneer het in zo’n geval niet wenselijk wordt geacht de derde naast de vennootschap aansprakelijk te houden voor de door de misleiding veroorzaakte koersschade, kan toetsing aan het nabijheidsverband wederom in dit resultaat voorzien.7 In de keten van causale gebeurtenissen is – ten opzichte van (het handelen van) de vennootschap – (het handelen van) de derde namelijk één schakel verder verwijderd van de uiteindelijk ingetreden schade.