Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/1.3.3.4
1.3.3.4 Voorzienbaarheid van de schade
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655675:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie over deze toerekeningsfactor Asser/Sieburgh 2021 (6-II), nr. 69; Klaassen 2017 (Mon. BW B35), nr. 34-35.
Zie over de adequatieleer uitgebreid Asser/Sieburgh 2021 (6-II), nr. 55-56.
Zie in dit verband de arresten HR 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:214 (Avi Cranes Ltd./X), r.o. 4.1.2-4.1.3 en HR 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2895, JA 2015/15, m.nt. D.A. van der Kooij (X/Saint-Gobain Weber Beamix B.V.), r.o. 3.5.
Asser/Sieburgh 2021 (6-II), nr. 64, onder verwijzing naar Brunner 1981a, p. 213. Zie echter kritisch in dit verband Bloembergen 1965, nr. 111 en Van Schellen 1985, p. 10 e.v.
Idem.
Ik verwijs naar de in § 1.3.3.2 sub a genoemde rechtspraak.
Schadevergoeding (Boonekamp), art. 6:98 BW, aant. 4.6.1.3. Zie in dit verband bijvoorbeeld ook het arrest HR 29 april 2011, NJ 2011/191 (Bouwcombinatie/Liander), r.o. 3.4.4.
Zie onder meer HR 2 november 1979, NJ 1980/77, m.nt. G.J. Scholten; HR 27 februari 1987, NJ 1987/584, m.nt. W.C.L. van der Grinten; HR 13 november 1987, NJ 1988/210, m.nt. W.C.L. van der Grinten; HR 25 mei 1990, NJ 1990/577. Zie verder bijvoorbeeld ook het uitstekend gemotiveerde arrest over de beroepsaansprakelijkheid van een notaris Hof Leeuwarden 31 juli 2012, ECLI:NL:GHLEE:2012:BX3099 (X e.a./Y), r.o. 11-14.
Zie in dit verband bijvoorbeeld de arresten HR 25 april 2008, NJ 2008/262 (Boekema/Ouders), r.o. 3.4.3 en HR 29 april 2011, NJ 2011/191 (Bouwcombinatie/Liander), r.o. 3.4.4.
Vgl. in dit verband het arrest Hof ’s-Hertogenbosch 9 september 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:3526 (Van Valen/Maatschap Goos-van Gool e. a.), r.o. 15.5.2. In de deze zaak stelde een groep tuinders de (middellijk) bestuurders van Rova Breda BV aansprakelijk wegens het onbetaald blijven van geleverde tuinbouwproducten. Zij stelden mede op basis van aan hen verstrekte misleidende informatie (in concreto ging het om een misleidende ‘kolommenbalans’) te zijn doorgegaan met leveren. Deze zaak had dus geen betrekking op misleiding van beleggers door een beursvennootschap en dientengevolge door beleggers geleden koersschade.
Een andere belangrijke toerekeningsfactor is de voorzienbaarheid van de schade.1 Was de voorzienbaarheid onder de oude adequatieleer2 – naast het csqn-vereiste – nog het enige criterium om te bepalen of bepaalde schade al dan niet kan worden toegerekend, onder de leer van de redelijke toerekening is zij slechts één van de factoren die worden meegewogen bij het beantwoorden van de toerekeningsvraag.3 In algemene zin geldt dat naarmate het gevolg naar ervaringsregels waarschijnlijker (en derhalve beter voorzienbaar) is, toerekening eerder is gerechtvaardigd.4 Omgekeerd geldt dat toerekening minder aanvaardbaar is naarmate het gevolg uitzonderlijker, abnormaler en/of minder waarschijnlijk is.5
Wel is het van belang te benadrukken dat het mede van de aard van de aansprakelijkheid (in het bijzonder de strekking van de geschonden norm) en de aard van de schade afhangt welk soortelijk gewicht bij de schadetoerekening precies aan de voorzienbaarheid van de schade wordt toegekend.6 Zo is het – zoals hiervóór in § 1.3.3.2 sub a reeds werd opgemerkt – vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat bij overlijdens- en letselschade veroorzaakt door overtreding van verkeers- en/of veiligheidsnormen aan toerekening in beginsel niet in de weg staat dat de schade ‘buiten de lijn der normale verwachtingen ligt’.7 Ook schade die op onvoorzienbare wijze is ingetreden, wordt dus aan de aansprakelijke persoon toegerekend.8 Buiten het terrein van letsel en overlijdensschade veroorzaakt door overtreding van verkeers- en veiligheidsnormen blijkt de voorzienbaarheid van de schade daarentegen wel veelal bepalend te zijn bij het beantwoorden van de toerekeningsvraag.9 Zo volgt uit verschillende arresten van de Hoge Raad die betrekking hebben op zuivere vermogensschade veroorzaakt door overtreding van andersoortige normen dan verkeers- en/of veiligheidsnormen, dat schade die niet het redelijkerwijs te verwachten gevolg is van het onrechtmatige handelen, niet voor vergoeding in aanmerking komt.10 Iets anders is dat de Hoge Raad soms nogal soepel met het voorzienbaarheidsbegrip lijkt om te gaan (althans, dat hij de feitenrechter op dit punt een ruime beoordelingsmarge biedt).11
De schadecategorie die in het onderhavige onderzoek centraal staat, betreft zoals reeds opgemerkt (zuivere) vermogensschade. Daarnaast gaat het bij misleiding van het beleggende publiek om (een onrechtmatige daad bestaande uit) schending van andere normen dan verkeers- en/of veiligheidsnormen. Deze combinatie van schadesoort en type normschending impliceert dat de voorzienbaarheid van de schade een belangrijke – zo niet de belangrijkste – wegingsfactor is bij het beantwoorden van de vraag of door de belegger geleden koersschade (die in csqn-verband staat met de misleiding) al dan niet aan de vennootschap kan worden toegerekend.12