Einde inhoudsopgave
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/I.3.14.1
I.3.14.1 De gang van zaken in 2002-2003
T. van Gennip, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
T. van Gennip
- JCDI
JCDI:ADS285007:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De wetten van 16 juli 2001, Stb. 2001, 585; 24 januari 2002, Stb. 121; 27 maart 2002, Stb. 172 en 27 maart 2002, Stb. 2002, 171 (de laatste twee gepubliceerd op 28 maart 2002).
Besluit van 27 maart 2002, Stb. 2002, 173.
Besluit van 1 november 2002, Stb. 2002, 536.
Zie hierover uitvoerig: De Graaf 2009, p. 176.
Jurgens & Van den Braak, Trouw 29 maart 2003.
Handelingen II 2002/03, 56, p. 3522.
Kamerstukken II 2002/03, 28 600 VII, nr. 49. Art. 137 lid 4 Gw (1983) sprak nog van: ‘De nieuwe kamers overwegen het voorstel en kunnen dit alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.’ Ook die bepaling laat echter ruimte in de beantwoording van de vraag wat ‘de nieuwe kamers’ hier betekent. De huidige redactie van art. 137 lid 4 Gw laat nog meer onduidelijkheid bestaan dan de versie van 1983 (en eerder), omdat de tekst in de tweede zin enkel spreekt van een overweging door ‘beide kamers’.
Handelingen I 2004/2005, 10, p. 435-438; Handelingen I 2004/2005, 12, p. 568-569.
Wetten van 8 februari 2005, Stb. 2005, 52 en 14 november 2006, Stb. 2006, 170.
Tussen december 2001 en maart 2002 behaalden vier voorstellen in eerste lezing het Staatsblad.1 Op 27 maart 2002 besloot de regering tot ontbinding van de Tweede Kamer, dichtbij de periodieke verkiezingen die reeds gepland stonden op 15 mei 2002.2 Na de verkiezingen werd het kabinet-Balkenende I geïnstalleerd. Na interne conflicten tussen de LPF-ministers bestond er onvoldoende vertrouwen onder de fractievoorzitters van de VVD en CDA in dit kabinet, waarop de minister-president op 16 oktober 2002 al het ontslag aanbood aan Koningin Beatrix. Het kabinet was nog geen drie maanden missionair. Op 1 november 2002 nam de regering het ontbindingsbesluit.3 Nieuwe verkiezingen zouden plaatsvinden op 22 januari 2003.
In deze korte tijdspanne was de tweede lezing in de Tweede Kamer allesbehalve afgerond.4 De regering had wel twee voorstellen ingediend in tweede lezing op 5 september5 en op 16 september.6 Twee voorstellen waren zelfs ná de val van het kabinet ingediend. Demissionair minister Remkes gaf in een brief van 4 december 2002 aan dat hij deze voorstellen spoedig zou indienen.7 De regering diende op 11 december 2002 de twee voorstellen in tweede lezing in.8 Demissionair minister Remkes stelde in een brief van 4 december 2002 het volgende:
‘Het is […] aan de Tweede Kamer in de huidige samenstelling te bepalen of zij de behandeling van beide voorstellen in haar zittingsperiode in tweede lezing wil voltooien dan wel overlaat aan de Tweede Kamer die na de komende verkiezingen wordt samengesteld.’9
Remkes zinspeelde er dus op dat een latere Tweede Kamer de tweede lezing nog kon verrichten. Uiteindelijk lagen alle vier de voorstellen ten tijde van de installatie van de nieuwe Tweede Kamer op 30 januari 2003 nog bij de Tweede Kamer.
Jurgens, destijds lid van de Eerste Kamer, en Van den Braak stelden in het dagblad Trouw dat alleen de in mei 2002 verkozen Tweede Kamer het betreffende voorstel mocht behandelen en niet de nieuwe Tweede Kamer.10 Het Tweede Kamerlid Van der Staaij (SGP) verzocht de regering om op de zienswijze van Jurgens & Van den Braak te reageren.11 Demissionair minister Remkes stelde dat uit artikel 137 lid 4 Gw niet volgde dat de Tweede Kamer die was verkozen op 22 januari niet meer over de voorstellen mocht stemmen.12 De nieuwe minister De Graaf (D66) voor Bestuurlijke vernieuwing en Koninkrijksrelaties besloot kort na zijn benoeming om advies in te winnen van de Raad van State. Ook de Raad van State concludeerde in een spoedadvies van 17 oktober 2003 dat er geen bezwaren waren op grond van 137 lid 4 Gw tegen de behandeling door de Tweede Kamer na de verkiezingen van 22 januari 2003. Hoewel de Raad van State kritisch was over de ontstane situatie, sloot hij aan bij het kabinet door te stellen dat er geen grondwettelijke belemmeringen waren, want artikel 137 lid 4 Gw stelde geen grenzen aan de duur van de tweede lezing. De Raad van State betoogde dat Nederland geen systeem van een valbijl (meer) kende, en dat de Grondwet sinds 1995 niet meer bepaalde dat ‘de nieuwe Kamers’ het voorstel in tweede lezing hebben te overwegen, maar ‘beide kamers’. 13
De Tweede Kamer zette de behandeling van het voorstel vervolgens voort. Het debat in de Eerste Kamer over de kwestie was – mede onder aansporing van Jurgens (PvdA) venijniger, maar ook hier was de slotsom dat het advies van de Raad van State werd geaccepteerd.14 Uiteindelijk hebben twee van de vier voorstellen in tweede lezing tot een grondwetsherziening geleid.15