Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/2.4.9
2.4.9 Misbruik
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264491:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld Nov. 134,7 (Justinianus). Voor meer primaire (ook na-Justiniaanse) bronnen zie Papadatou 2008, p. 214-219.
C. 4,24,3 (Alexander Severus). Creditor, qui praedium pignori sibi nexum detinuit, fructus quos percepit vel percipere debuit in rationem exonerandi debiti computare necesse habet et, si agrum deteriorem constituit, eo quoque nomine pigneraticia actione obligatur.
Eigen vertaling van “pignus ancillae solvitur”.
D. 13,7,24,3 (Ulpianus). In pigneraticio iudicio venit et si res pignori datas male tractavit creditor vel servos debilitavit. plane si pro maleficiis suis coercuit vel vinxit vel optulit praefecturae vel praesidi, dicendum est pigneraticia creditorem non teneri. quare si prostituit ancillam vel aliud improbatum facere coegit, ilico pignus ancillae solvitur.
Vgl. D. 13,7,15 (Ulpianus); D. 43,26,8,5 (Ulpianus).
Overigens leek Ulpianus geen problemen te hebben met de exploitatie van een woning als bordeel, zo lezen wij aan het slot van D. 5,3,27,1 (Ulpianus): “nam et in multorum honestorum virorum praediis lupanaria exercentur/want ook in de panden van vele geachte mannen worden bordelen geëxploiteerd”.
Inst. 4,1,6 (Justinianus).
Het recht van pandgebruik vond zijn grens in beschadiging en misbruik van het onderpand. In §2.2.3 vermeldde ik al dat schuldeisers het recht van pandgebruik misbruikten om zwakkere schuldenaren uit te buiten. De Byzantijnse wetgever trad tegen deze uitbuiting op door haar te verbieden, en strafbaar te stellen.1 Niet alleen kwam misbruik van een machtspositie via een recht van pandgebruik voor, schuldeisers misbruikten hun bevoegdheid ook door het onderpand slecht te behandelen en te beschadigen. Tegen deze laatstgenoemde vorm van misbruik traden keizers en juristen al op in het klassieke Romeinse recht. Hieronder staan twee voorbeelden:
C. 4,24,3 (Alexander Severus)
“De schuldeiser die het hem als pand verbonden stuk grond onder zich heeft gehouden, moet de vruchten die hij genoten heeft of had moeten genieten, meenemen bij de berekening van de te betalen schuld. En indien hij de akker verslechterd heeft, wordt hij uit dien hoofde ook verbonden met de pandactie.”2
D. 13,7,24,3 (Ulpianus):
“Onder de actie uit de pandovereenkomst valt ook het geval dat de schuldeiser de in pand gegeven zaken slecht behandeld heeft of de slaven heeft doen verzwakken. Uiteraard dient men, als de schuldeiser hen voor hun wandaden bestraft, in de boeien geslagen of voor de stadsprefect dan wel de gouverneur heeft gebracht, te concluderen dat hij niet met de pandactie aansprakelijk is. Als hij dus een slavin als prostituée heeft ingezet of haar gedwongen heeft om iets anders onzedelijks te doen, gaat het pandrecht3 ter zake van de slavin terstond teniet.”4
Bovenstaande teksten laten zien dat de pandgebruiker aansprakelijk was met de actio pigneraticia directa als hij schade toebracht aan het onderpand. Zo leidden het verslechteren van een akker, het verzwakken van slaven of in het algemeen het slecht behandelen van verpande zaken tot aansprakelijkheid van de pandhouder. Hierna zal blijken dat de pandhouder bevoegd kon worden om rechten uit te oefenen die afhankelijk waren van het pandobject, zoals een erfdienstbaarheid. Als de pandhouder een van het hem verpande stuk grond afhankelijk recht door non usus (niet-gebruik van een erfdienstbaarheid gedurende twee jaar) teniet liet gaan, vermoed ik dat hij aansprakelijk was met de actio pigneraticia directa.5 Zoals het verslechteren van een akker leidde ook het tenietgaan van een voor het pandobject gevestigd recht immers tot waardedaling van het pandobject. Op gelijke wijze was de pandhouder aansprakelijk als hij een pandrecht op een beperkt recht had, en dit recht door non usus teniet liet gaan. De pandhouder was dan immers verantwoordelijk voor het tenietgaan van het pandobject. Voorts kon misbruik van het pandobject zelfs leiden tot het tenietgaan van het pandrecht. Zo schreef Ulpianus in D. 13,7,24,3 dat het pandrecht op een slavin tenietging als de pandgebruiker de slavin had geprostitueerd: pignus ancillae solvitur.6 Daarnaast vermoed ik dat de pandhouder aansprakelijk kon zijn jegens de pandgever uit de actio furti. Keizer Justinianus schreef dat wie een zaak in gebruik had gekregen en deze zaak aanwendde tot een ander doel dan waarvoor zij hem was gegeven, furtum usus pleegde.7