Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/8.3.1.3
8.3.1.3 Ten onrechte geweigerde invoervergunning
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284533:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
ABRvS 23 januari 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AD9040, JB 2002/69 (Landschildpadden).
Zie Di Bella 2014, p. 90-91.
Aan dieren gestelde import- of exporteisen hebben overigens niet steeds het doel het dierenwelzijn te beschermen. Soms is bijvoorbeeld een certificering enkel nodig om aan te kunnen tonen dat de dieren voldoen aan de door het importland gestelde gezondheidsregels. Die door het importland gestelde regels hebben dan uiteraard een gezondheids- of dierenwelzijnsoogmerk. De certificering zélf heeft dat oogmerk echter niet. Die certificering wordt afgegeven met het oog op de export naar, en verkoop in, het buitenland. Zie in dit verband CBb 17 april 2003, ECLI:NL:CBB:2003:AF8080, AB 2003/277, m.nt. J.H. van der Veen (Certificering westnijlvirus) waarin het ging om een ten behoeve van de export naar China afgegeven onjuiste certificering uit hoofde van de Gezondheids en welzijnswet voor dieren (Gwd). De exporteur vroeg een certificering aan voor de export van vogels naar China. Die certificering houdt een verklaring in dat de dieren geen besmettelijke ziekten hebben en dus voldoen aan de door China uit hoofde van de gezondheid van dier en mens gestelde importeisen. In de afgegeven certificering ontbrak, hoewel daartoe expliciet was verzocht, een verklaring omtrent blootstelling van de vogels aan het westnijlvirus. Als gevolg daarvan worden de vogels bij aankomst in China door de douane geweigerd en in quarantaine geplaatst, waarna één vogel overlijdt. De exporteur vordert de quarantainekosten en de waarde van de gestorven vogel als schade. De CBb overweegt dat sprake is van schending van de norm dat gezondheidscertificaten eerst worden afgegeven nadat alle daartoe benodigde tests zijn gedaan en die norm mede strekt tot bescherming van de belangen van de aanvrager. Exporteurs hebben volgens het CBb ‘een rechtens relevant te achten belang bij een correcte naleving van deze voorschriften’ (zie eerder ook al CBb 28 februari 2002, ECLI:NL:CBB:2002:AE0420, AB 2002/139, m.nt. J.H. van der Veen (Struisvogelexport). De CBb spitst deze bescherming niet specifiek toe op de gevorderde schadevergoeding, maar dat ligt er volgens mij wel in besloten: de certificering wordt juist gegeven met het oog op de mogelijkheid de vogels zonder problemen ten behoeve van de verkoop naar het buitenland te exporteren. De norm beschermt daarom ook tegen schade als gevolg van de dood van de vogel en de extra quarantainekosten. Ik zou menen dat de norm ook beschermt tegen de door de dood van de vogel gederfde winst. Die vordering had de exporteur echter niet ingesteld.
De Hoge Raad neemt ook aan dat een gelaedeerde zich door eigen gedrag aan het beschermingsbereik van een norm kan onttrekken: HR 16 februari 1973, ECLI:NL:HR:AD7415, NJ 1973/462 (Maas/Willems), HR 27 januari 1984, ECLI:NL:HR:AG4748, NJ 1984/536 (Verstekeling) en HR 23 februari 2007, ECLI:NL:HR:AZ6219, NJ 2008/492 (De Groot/Io Vivat). Deze ‘in pari delicto’-jurisprudentielijn is overigens niet duidelijk afgebakend. Zie hierover Haazen 2009, p. 829 e.v., Keirse & Paijmans 2017, p. 207. e.v. en Van der Kooij 2019, nr. 539 e.v.
600. De receptie in de literatuur van het Landschildpadden-casus1 biedt ook aanleiding mijn model daaraan te toetsen. Een handelaar wil in Rusland gekochte landschildpadden voor de doorverkoop in Nederland importeren. Hij vraagt een invoervergunning aan uit hoofde van de Verordening (EG) 338/97 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. De Minister van LNV weigert deze vergunning aanvankelijk ten onrechte. De verordening laat de invoer namelijk toe. De minister erkent dat uiteindelijk. De uitspraak maakt niet helemaal duidelijk waarom de toelating is toegestaan, maar het ligt voor de hand dat de schildpadden voldoen aan de toelatingseisen van art. 4 Verordening. De handelaar heeft echter na de vergunningsweigering van de koop afgezien, omdat de verkoper de opslag niet kosteloos wilde verzorgen en bezwaarprocedures vaak lang duren. De handelaar vordert van de Staat de gederfde winst doordat hij de dieren niet heeft kunnen doorverkopen.
601. De Afdeling oordeelt dat de schade niet het ‘rechtstreeks gevolg’ is van de geweigerde vergunning: de handelaar heeft de levering zelf illusoir gemaakt door voortijdig van de koop af te zien. Dit oordeel is in de literatuur mijns inziens terecht bekritiseerd. Ten eerste is onduidelijk waarom een ‘rechtstreeks gevolg’-criterium geldt. Ten tweede is lastig navolgbaar waarom aan dat criterium niet is voldaan: de handelaar zag immers vanwege de vergunningsweigering af van de koop. De uitspraak overtuigt daarom niet.2
602. De zorgvuldigheidsnorm en de driestapstoets weten de uitkomst volgens mij wel consistent te verklaren. De vaststelling waartegen de zorgvuldigheidsnorm in dit geval wil beschermen, geschiedt weer op basis van drie vragen: (i) lijdt de aanvrager of materieel gerechtigde de schade, (ii) waartoe strekt de importvergunning en (iii) beperkt het stelsel een recht van de aanvrager dat beschermt tegen de schade?
603. De eerste vraag is weer eenvoudig: de handelaar kwalificeert als aanvrager. Aan die eis is dus voldaan. De tweede vraag moet negatief beantwoord worden: de importvergunning heeft geen commercieel oogmerk. De vergunning wil de handel in beschermde dieren voorkomen.3 Dan resteert de derde vraag: beperkt het stelsel een recht van de aanvrager dat beschermt tegen de geleden schade. Het algemene importverbod beperkt natuurlijk het eigendomsrecht op de dieren – of in ieder geval de verkregen contractuele eigendomsaanspraak daarop. Dat recht strekt tot commerciële exploitatie van het eigendom. De zorgvuldigheidsnorm strekt daarom als uitgangspunt ook tot bescherming tegen gederfde winst. Die moet op grond van stap 2 worden toegerekend.
604. Toch moet de derde vraag in deze casus op grond van mijn model negatief beantwoord worden. De handelaar heeft namelijk zelf afstand gedaan van (de aanspraak op) het eigendomsrecht. De derde vraag veronderstelt dat de gelaedeerde rechthebbende is op het door het vergunningsstelsel beperkte recht. De norm wil immers de aanvrager juist bescherming bieden, omdat zijn eigendomsrecht ten onrechte door het algemene verbod uit het vergunningsstelsel beperkt blijft.4 Juist van dat voor de bescherming door de norm cruciale recht doet de handelaar in deze casus afstand. De afstand van (de aanspraak op) het eigendomsrecht heeft daarom het ontbreken van bescherming tot gevolg. Dat verklaart waarom de Afdeling in deze casus de afstand van het eigendomsrecht doorslaggevend acht voor afwijzing van de vordering. In mijn model moet men hier zeggen dat de winst wordt gederfd op een wijze – als gevolg van afstand op het eigendomsrecht – waartegen de geschonden zorgvuldigheidsnorm de aanvrager duidelijk niet wil beschermen. Daarom loopt de vordering vast op stap 1 van het driestapsmodel.
605. Die uitkomst is mijns inziens ook overigens niet onredelijk. Ten eerste ontvangt de koper door het afzien van de koop (waarschijnlijk) de koopsom terug – voor zover hij reeds betaald zou hebben. Ik zie niet in waarom het redelijk zou zijn dat de handelaar zowel de koopsom terugontvangt (of niet meer betaalt) als aanspraak kan maken op de misgelopen winst. Het maken van die winst veronderstelt immers de betaling van de koopprijs. Het is in dat opzicht van tweeën één. Ten tweede was hij niet verplicht afstand te doen van de schildpadden. Hij had de verkoper ook kunnen vragen de dieren op te slaan gedurende de bestuursrechtelijke procedure. Die (in redelijkheid gemaakte en redelijke) extra opslagkosten komen – naast de eventueel misgelopen winst – wel voor vergoeding in aanmerking. Dat zijn namelijk kosten ter voorkoming of beperking van schade ex art. 6:96 lid 2 sub a BW. Zonder die opslag zou immers afgezien moeten worden van de koop of zouden de schildpadden wellicht zelfs sterven.