Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/7.6.1.2
7.6.1.2 Toetsing aan het gelijkheidsbeginsel
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661287:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Happé 1996, p. 289 in het kader van het gelijkheidsbeginsel als algemene beginsel van behoorlijk bestuur.
Vgl. Smit 1984b, p. 191.
In dat kader zal de ongelijkheid van gevallen erin liggen dat bij de ene burger een bepaalde vertrouwen is gewekt, maar bij de andere niet. Zij verkeren dan niet in dezelfde feitelijke positie.
Vgl. Scheltema 2020a (in het kader van discussies over vernieuwingen in het bestuursrecht): ‘Zo is denkbaar dat bij meer nadruk op maatwerk en burgerperspectief de rechtsbeginselen een andere gestalte krijgen: bij het gelijkheidsbeginsel moet misschien meer nadruk komen op de gedachte dat ongelijke gevallen ook ongelijk behandeld moeten worden.’ Ook Scheltema 2020b, p. 11.
Vgl. Reugebrink 1984, p. 183; Scheltema 2020b, p. 10-11.
Bijvoorbeeld verlaging van de aanslag na informeel overleg tussen burger en inspecteur, toekenning van een tegemoetkoming in de bezwaarfase uit coulance of compensatie na een klacht bij de Ombudsman zoals in de brief van de Nationale ombudsman 2021/098 van 24 juni 2021 met update van 29 september 2021 (toeslagen).
Bij het rechtsstatelijke gelijkheidsbeginsel wordt wel een onderscheid gemaakt tussen het formele en het materiële gelijkheidsbeginsel.1 Het formele gelijkheidsbeginsel houdt gelijkheid voor het recht in (de regels gelden voor iedereen, zonder aanzien des persoons; geen willekeur). Het materiële gelijkheidsbeginselhoudt in dat gelijke gevallen gelijk moeten worden behandeld en ongelijke gevallen ongelijk naar de mate van hun ongelijkheid.
Het voorstel voldoet aan het criterium van het gelijkheidsbeginsel, want in beginsel wordt de belastingwet op iedereen gelijkelijk toegepast (formeel) en worden gelijke gevallen gelijk behandeld (materieel).
Wel betekent mijn voorstel – bij een relatief ruimere bescherming van gewekte verwachtingen – dat de verwezenlijking van de waarde in het formele gelijkheidsbeginsel afneemt. Bij bescherming van gewekte verwachtingen van de burger vindt het als het ware een correctie plaats op het handelen zonder aanzien des persoons, want dan wordt juist wél gekeken naar de situatie waarin die burger verkeert en op hem een andere wetsuitleg toegepast dan op andere personen.2 Daartegenover staat dat de rechtsstatelijke waarde waarvoor het materiële gelijkheidsbeginsel staat, juist beter wordt verwezenlijkt. In het voorstel komt meer nadruk te liggen op het element dat ongelijke gevallen ongelijk moeten worden behandeld.3 Deze benadering van het gelijkheidsbeginsel past bij de hedendaagse maatschappelijke en juridische aandacht voor ‘maatwerk’ en ‘burgerperspectief’.4 Rechtsgelijkheid vereist ook: rekening houden met ongelijkheid.5 Toepassing van het gelijkheidsbeginsel met inachtneming van het burgerperspectief doet daaraan beter recht. Bovendien biedt het voorstel, méér dan nu, mogelijkheden om oog te hebben voor het specifieke geval, zoals in de voorgestelde methode tot uitdrukking komt (afwegingskader in plaats van een voorrangsregel).
Verder dient een koerswijziging de formele rechtsgelijkheid, omdat de nieuwe koers voor alle burgers die het aangaat, gelijkelijk geldt. In zoverre moet een aanpassing in de rechtspraak van de Hoge Raad (of in de uitvoeringspraktijk, via een beleidsregel van de Belastingdienst) worden verkozen boven praktische oplossingen in de uitvoeringssfeer die enkel het betrokken individu raken.6
Vergelijking van de huidige koers en het voorstel
Beredeneerd vanuit de rechtsstatelijke waarde van het gelijkheidsbeginsel leidt het voorstel voor de burger tot verbetering op het punt van de materiële kant van het gelijkheidsbeginsel. Op het punt van de formele kant van het gelijkheidsbeginsel neemt het enerzijds af en anderzijds toe. Het voorstel voldoet dus in ten minste dezelfde mate (en met een ander accent) aan het gelijkheidsbeginsel als de huidige koers.