Einde inhoudsopgave
De concern(genoten)enquête (VDHI nr. 158) 2019/5.1.1.2
5.1.1.2 Burgerlijke en handelszaken
mr. R.P. Jager, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. R.P. Jager
- JCDI
JCDI:ADS85944:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vide P. Vlas, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 1 Brussel I-bis, aant. 1; F. Ibili, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 1 Brussel I-bis, aant. 1. Vide ook S.J. Schaafsma, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, Brussel I bis-Verordening, Aanhef, Inleidende opmerkingen, aant. 4a.
Vide e.g. HvJ EG 14 oktober 1976, C-29/76, punt 3 (Eurocontrol); HvJ EG 22 februari 1979, C-133/ 78, punt 3 (Nadler); HvJ EG 16 december 1980, C-814/79, punt 7 (Rüffer); HvJ EG 21 april 1993, C-172/91, punt 18 (Waidmann); HvJ EG 14 november 2002, C-271/00, punt 28 (Baten); HvJ EG 15 mei 2003, C-266/01, punt 20 (Staat der Nederlanden); HvJ EG 15 februari 2007, C-292/05, punt 29 (Dimosio); HvJ EU 23 oktober 2014, C-302/13, NJ 2015/284, m.nt. L. Strikwerda, punt 24 (Starptautiskl lidosta R/ga); HR 21 december 2018, JOR 2019/73, m.nt. C.G. van der Plas, r.o. 4.2.1 (Supreme Headquarters); HvJ EU 28 februari 2019, C-579/17, NJ 2019/160, punt 46 (Gradbenigtvo Korana).
Vide HvJ EG 10 september 2009, C-292/08, NJ 2010/541, m.nt. M.V. Polak, punt 23 (Van der Schee); HvJ EU 4 september 2014, C-157/13, punt 22 (‘Kintra’); HvJ EU 28 februari 2019, C-579/ 17, NJ 2019/160, punt 47 (Gradbenigtvo Korana).
Vide de in voetnoot 31 supra aangehaalde arresten. Kuypers concludeerde dat het begrip ‘burgerlijke en handelszaken’ voornamelijk moet worden uitgelegd aan de hand van de algemene beginselen die in alle nationale rechtsstelsels worden gevonden, hoewel hij eerder opmerkte dat dit hulpmiddel geen praktische oplossing voor de rechtspraktijk is, nu de nationale rechter volgens hem wordt gedwongen ‘een rechtsvergelijkend onderzoek te doen naar de inhoud van de rechtsstelsels van de EG lidstaten c.q. verdragsluitende staten teneinde de grootste gemene deler te vinden’; vide P.H.L.M. Kuypers, Forumkeuze in het Nederlandse internationaal privaatrecht (diss. Leiden), Serie Recht en Praktijk, deel 159, Deventer: Kluwer 2008, p. 72 en 78. Vide ook P. Vlas, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 1 Brussel I-bis, aant. 4. Bij de vorenbedoelde uitleg bieden de doelen en het stelsel van het Executieverdrag (thans: EEX-Verordening II) weinig houvast, aldus Kuypers, op. cit., p. 78.
Vide e.g. HvJ EG 14 oktober 1976, C-29/76, punt 4 (Eurocontrol); HvJ EG 16 december 1980, C-814/79, punt 14 (Rüffer); HvJ EG 1 oktober 2002, C-167/00, punt 29 (Henkel); HvJ EG 14 november 2002, C-271/00, punt 29 (Baten); HvJ EG 15 mei 2003, C-266/01, punt 21 (Staat der Nederlanden); HvJ EG 15 februari 2007, C-292/05, punt 30 (Dimosio); HvJ EU 18 oktober 2011, C-406/09, NJ 2012/19, m.nt. M.V. Polak, punt 39 (Bayer CropScience); HvJ EU 12 september 2013, C-49/12, punt 33 (Sunico); HvJ EU 23 oktober 2014, C-302/13, NJ 2015/284, m.nt. L. Strikwerda, punt 26 (Starptautiskl lidosta R/ga). Vide ook de conclusie, onder 51-54, van A-G Mengozzi bij het Bayer CropScience-arrest. In HvJ EU 28 februari 2019, C-579/17, NJ 2019/160, punt 48 (Gradbenigtvo Korana) overwoog het Hof van Justitie dat om vast te stellen of een aangelegenheid al dan niet binnen de werkingssfeer van de EEX-Verordening II valt, de rechtsbetrekking tussen de procespartijen moet worden vastgesteld, alsmede moeten de grondslag en de nadere regels voor de geldendmaking van de vordering worden onderzocht.
Trb. 1969, 101. Het rapport-Jenard staat ook in PbEG 1979, C 59/1. Let op: ik verwijs naar het paginanummer in het Tractatenblad!
Rapport-Jenard, p. 60. In PbEG 1979, C 59/10 ontbreekt het woord ‘privés’ in het desbetreffende citaat.
De A-G als bedoeld in art. 2:345, tweede lid, eerste volzin, BW uitgezonderd. Cf. C.G. van der Plas, De taak van de rechter en het IPR. Een verkenning van de grenzen van de taak van de Nederlandse rechter bij de toepassing van vreemd privaat- en publiekrecht (diss. Nijmegen), Serie Onderneming en Recht, deel 30, Deventer: Kluwer 2005, p. 327-347, die ingaat op geschillen tussen een particulier en een overheidsinstantie.
Uitgezonderd art. 2:345, tweede lid, eerste volzin, BW, waarin wordt gesproken van ‘openbaar belang’. De A-G die om reden van openbaar belang een enquêteverzoek kan indienen, is al jaren en jaren niet meer als enquêteverzoeker in beweging gekomen. Ik verwacht niet dat zulks in futuro anders zal zijn.
Evenzo A-G Timmerman in zijn conclusie, onder 5.10, bij HR 30 maart 2007, NJ 2007/293, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2007/138, m.nt. M.W. Josephus Jitta, Ondernemingsrecht 2007/111, m.nt. P.G.F.A. Geerts (ATR Leasing). In deze beschikking overwoog de Hoge Raad dat – in het kader van een door de Ondernemingskamer te maken belangenafweging omtrent het al dan niet toewijzen van het enquêteverzoek, een en ander na het positief hebben beantwoord van de vraag of er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid (of, naar het thans geldende recht, een juiste gang van zaken) te twijfelen – het belang van de rechtspersoon vooropstaat (vide r.o. 4.4).
Vide e.g. hof Amsterdam (OK) 21 december 2004, ARO 2004/145, Ondernemingsrecht 2005/35, m.nt. B.F. Assink, r.o. 3.4 (Unilever); hof Amsterdam (OK) 2 augustus 2005, ARO 2005/155, r.o. 3.7 (Denkers TNG); hof Amsterdam (OK) 22 februari 2006, ARO 2006/56, r.o. 3.2 (Carboply); hof Amsterdam (OK) 12 juli 2006, ARO 2006/131, r.o. 3.5 (Becq & Millan); hof Amsterdam (OK) 27 december 2006, ARO 2007/4, r.o. 3.4 (Woudwood); hof Amsterdam (OK) 10 januari 2008, ARO 2008/22, r.o. 3.11 (RBB); hof Amsterdam (OK) 4 april 2008, ARO 2008/80, r.o. 3.12 (Kliniek Holystaete); hof Amsterdam (OK) 15 januari 2010, ARO 2010/22, r.o. 3.5 (Exin Asia); hof Amsterdam (OK) 18 mei 2010, ARO 2010/85, r.o. 3.11 (Creative Kids Concepts); hof Amsterdam (OK) 16 juli 2010, ARO 2010/112, r.o. 3.6 (Boon); hof Amsterdam (OK) 6 juni 2011, JOR 2011/282, m.nt. J.M. Blanco Fernández, r.o. 3.5 (Synpact). Vide ook hof Amsterdam (OK) 25 november 2014,ARO 2015/22, r.o. 3.3 (Goodfood). Dat het geschil (mogelijk) mede van vermogensrechtelijke aard is en vermogensrechtelijke gevolgen heeft voor (een der) betrokken partijen, doet aan de bevoegdheid van de Ondernemingskamer in het kader van het enquêterecht niet af; vide hof Amsterdam (OK) 27 december 2006, ARO 2007/4, r.o. 3.4 (Woudwood). Blijkens het rapport-Jenard, p. 60 valt in beginsel het gehele vermogensrecht onder het toepassingsgebied van het EEX-Verdrag (thans: EEX- Verordening II), dat te dien aanzien ‘in de ruimste zin’ moet worden uitgelegd.
Volledigheidshalve wijs ik erop dat blijkens dat artikel de EEX-Verordening II ‘met name’ geen betrekking heeft op die onderwerpen en dat zij evenmin ziet op de aansprakelijkheid van de staat ‘wegens een handeling of nalaten in de uitoefening van het openbaar gezag (acta jure imperii)’. Uit HvJ EU 23 oktober 2014, C-302/13, NJ 2015/284, m.nt. L. Strikwerda, punt 27 (Starptautiskl lidosta R/ga) volgt dat de uitgezonderde onderwerpen strikt moeten worden uitgelegd.
Vide rapport-Jenard, p. 56; P. Vlas, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 1 Brussel I-bis, aant. 11; F. Ibili, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 1 Brussel I-bis, aant. 3; Strikwerda en Schaafsma, op. cit., p. 54.
De(ze) uitgesloten onderwerpen vallen alleen buiten de (materiële) reikwijdte van het EEX-Verdrag (thans: de EEX-Verordening II) indien zij het ‘hoofdonderwerp’ van het rechtsgeding uitmaken en niet als zij incidenteel of als prealabele vragen aan de rechter worden voorgelegd; vide rapport-Jenard, p. 60.
PbEG 1979, C 59/71.
Cf. J.M. Hebly, Verkrijging van getuigenbewijs in het buitenland in burgerlijke en handelszaken. Een onderzoek naar de voorgeschiedenis, werking en mogelijkheden van artikel 202 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering in samenhang met de relevante verdragsbepalingen (diss. Leiden), Arnhem: Gouda Quint 1994, p. 59-62.
Vide H.E. Ras, ‘De betekenis van het EEG-Executieverdrag voor de rechter van het land waar een onder het verdrag vallende zaak wordt aangebracht’, TvP 1975, p. 853; S.J. Schaafsma, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, Brussel I bis-Verordening, Aanhef, Inleidende opmerkingen, aant. 6b; Strikwerda en Schaafsma, op. cit., p. 59.
In die richting wijst het feit dat in de EEX-Verordening II wordt gesproken van ‘beslissing’, waaronder blijkens art. 2, aanhef en onderdeel a, EEX-Vo II moet worden verstaan ‘elke door een gerecht van een lidstaat gegeven beslissing, ongeacht de daaraan gegeven benaming, zoals arrest, vonnis, beschikking [curs. RPJ]’.
Waar het om gaat, is of de desbetreffende zaak kan worden aangemerkt als een burgerlijke zaak of een handelszaak, een en ander in de zin van art. 1, eerste lid, eerste volzin, EEX-Vo II. Zo ja, dan is het niet ter zake dienend of die zaak zich voor de civiele rechter, de strafrechter of de bestuursrechter afspeelt; vide rapport-Jenard, p. 58-60; rapport-Schlosser, p. 82. Vide ook HvJ EG 21 april 1993, C-172/91, punt 16 (Waidmann); HvJ EG 28 maart 2000, C-7/98, punt 30 (Bamberski).
Vide ook het Groenboek over de herziening van Verordening (EG) Nr. 44/2001 van de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, COM (2009) 175 def., Brussel 2009, para 8.2.
Op dit spoor zit ook F.G. Laagland, ‘IPR-problemen in de WOR en het enquêterecht. Ondernemingskamer 21 december 2012, JAR 2013/67 (VLM II) en HR 29 maart 2013, JOR 2013/166 (Chinese Workers)’, Arbeidsrechtelijke Annotaties 2013 (12) 3.2, p. 42: ‘Het enquêterecht is een burgerlijke of handelszaak: het onderwerp is privaatrechtelijk van aard en het rechtsgeschil speelt zich af tussen twee privaatrechtelijke (rechts)personen.’ Vide ook de noot, onder 2, van Josephus Jitta bij hof Amsterdam (OK) 8 september 2008, JOR 2009/127, m.nt. M.W. Josephus Jitta (e-Traction), waarin hij het volgende opmerkte: ‘Misschien moet de vrijmoedige conclusie wel zijn dat het enquêterecht buiten de werkingssfeer van de EEX-Verordening valt; dat lijkt echter niet te verenigen met de considerans van de EEX-Verordening die met uitzondering van bepaalde duidelijk in de Verordening omschreven onderwerpen alle belangrijke burgerlijke en handelszaken onder de werkingssfeer van de Verordening wil brengen [curs. RPJ].’
De EEX-Verordening II kent een materieel toepassingsgebied en een formeel toepassingsgebied.1 In deze paragraaf staat de vraag centraal of een op grond van het Nederlandse enquêterecht bij de Ondernemingskamer aangebrachte zaak binnen de materiële reikwijdte van de EEX-Verordening II valt. Bij ontkennende beantwoording daarvan zal de Ondernemingskamer haar rechtsmacht in een bij haar aangebrachte zaak in beginsel moeten bepalen aan de hand van het Nederlandse commune recht. Wordt de hiervoor opgeworpen vraag bevestigend beantwoord, dan komt het formele toepassingsgebied van de hier bedoelde verordening in beeld.
Het materiële toepassingsgebied van de EEX-Verordening II wordt geregeld door art. 1, eerste lid, eerste volzin, EEX-Vo II.2 Daarin staat dat die verordening wordt toegepast in ‘burgerlijke en handelszaken’. Dit is een autonoom begrip.3 Volgens het Hof van Justitie heeft de gemeenschapswetgever (thans: Uniewetgever) willen kiezen voor een ruime opvatting daarvan en daardoor voor een ruime werkingssfeer van de EEX-Verordening (thans: EEX-Verordening II).4 Het moet naar ’s hofs oordeel worden uitgelegd ‘aan de hand van, enerzijds, de doelen en het stelsel van het Executieverdrag en, anderzijds, de algemene beginselen die in alle nationale rechtsstelsels tezamen worden gevonden’.5 Het vorenbedoelde toepassings- gebied dient in wezen, aldus het hof, te worden afgebakend door (i) de aard van de juridische verhouding(en) tussen de (proces)partijen of (ii) het voorwerp van het geschil.6
Uit het door P. Jenard opgestelde Rapport over het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: rapport-Jenard)7 valt op te maken dat ‘du moment oé ces intérêts privés [curs. RPJ] son en jeu’, het EEX-Verdrag (thans: de EEX-Verordening II) van toepassing is.8 In geval van het enquêterecht gaat het om (a) private partijen,9 generaliter een of meer particuliere houders van (certificaten van) aandelen als enquêteverzoekers en een of meer privaatrechtelijke rechtspersonen, meestentijds besloten vennootschappen, als gerekestreerden, die in een vennootschapsrechtelijke verhouding tot elkaar staan, (b) private belangen,10 vooral het belang van de ven- nootschap, dat belang staat immers in de enquêteprocedure centraal,11 en (c) geschillen die – in essentie – (mede) betrekking hebben op de toestand of positie van een rechtspersoon en/of het functioneren van zijn organen.12
De EEX-Verordening II zondert een aantal zaken en onderwerpen uit van haar materiële toepassingsgebied. Zo heeft zij blijkens art. 1, eerste lid, laatste volzin, EEX-Vo II geen betrekking op fiscale zaken, douanezaken en administratiefrechtelijke zaken.13 Voorts valt naar luid van art. 1, tweede lid, EEX-Vo II een aantal – limitatief opgesomde –14onderwerpen erbuiten, te weten ‘de staat en de bevoegdheid van natuurlijke personen, het huwelijksvermogensrecht of het vermogensrecht ter zake van relatievormen waaraan volgens het hierop van toepasselijke recht gevolgen worden verbonden welke vergelijkbaar zijn met die van het huwelijk’ (onderdeel a), ‘het faillissement, akkoorden en andere soortgelijke procedures’ (onderdeel b), ‘de sociale zekerheid’ (onderdeel c), ‘arbitrage’ (onderdeel d), ‘onderhoudsverplichtingen die voortvloeien uit familiebetrekkingen, bloedverwantschap, huwelijk of aanverwantschap’(onderdeel e), ‘testamenten en erfenissen, met inbegrip van onderhoudsverplichtingen die ontstaan als gevolg van overlijden’ (onderdeel f).15
Enquêterechtelijke zaken vallen niet onder de eerstbedoelde uitzonderingen, noch vallen de tot het enquêterecht behorende onderwerpen onder de laatstgenoemde uitzonderingen. Daarbij voegt zich dat het rapport-Jenard noch het door P. Schlosser opgestelde Rapport over het Verdrag inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord- Ierland tot het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken alsmede tot het Protocol betreffende de uitlegging daarvan door het Hof van Justitie (hierna: rapport-Schlosser)16 steun biedt aan de gedachte dat het enquêterecht buiten het materiële toepassingsgebied van de EEX-Verordening II zou vallen. Het (Nederlandse) enquêterecht behoort tot het ius civile. Meer precies: afdeling twee van titel 8 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Op een bij de Ondernemingskamer uit hoofde van het enquêterecht aangebrachte zaak zijn, m.u.v. art. 2:350, tweede lid, BW, de bepalingen van de verzoekschriftprocedure als neergelegd in art. 261et seq. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing.17
Het is voor de toepassing van de EEX-Verordening II niet van belang of de procedure wordt ingeleid met een dagvaarding dan wel met een verzoekschrift,18 noch is het van belang of de procedure eindigt met een vonnis/arrest of met een beschikking.19 Evenmin is het van belang wat de aard van het gerecht waarvoor de burgerlijke en handelszaak speelt, is (videart. 1, eerste lid, eerste volzin, EEX-Vo II).20 Overigens is het, gelet op het bepaalde in art. 24, aanhef en onderdeel 2, EEX-Vo II, waarover ik nog kom te spreken (vide § 5.1.1.5), niet van belang of de vordering dan wel het verzoek ziet op kwesties die verband houden met de interne organisatie en de besluitvorming van een rechtspersoon.21
Tot besluit, en wellicht ten overvloede, breng ik onder de aandacht dat in de considerans (onder 10) van de EEX-Verordening II staat dat het van belang is dat, met uitzondering van bepaalde duidelijk omschreven aangelegenheden, ‘alle’ belangrijke burgerlijke en handelszaken onder de werkingssfeer van deze verordening wor- den gebracht.
Gezien het vorenstaande, zijn naar mijn idee alle zaken die zich in het kader van het Nederlandse enquêterecht bij de Ondernemingskamer afspelen – meer precies: zaken die voortkomen uit bij de Ondernemingskamer ingediende verzoeken op grond van bepalingen in afdeling 2 van titel 8 van Boek 2 BW – aan te merken als burgerlijke of handelszaken, een en ander in de zin van art. 1, eerste lid, eerste volzin, EEX-Vo II, en vallen derhalve binnen de materiële reikwijdte van de EEX-Verordening II.22