Einde inhoudsopgave
Instellingen voor collectieve belegging in effecten (O&R nr. 119) 2020/4.5.3.1
4.5.3.1 Effectenlimiet
mr. drs. J.E. de Klerk, datum 01-02-2020
- Datum
01-02-2020
- Auteur
mr. drs. J.E. de Klerk
- JCDI
JCDI:ADS193624:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 26 lid 1 COM (76) 152 def.
Zie art. 70-73 Regulations 2011, art. 43-46 OPC-Law 2010 en art. 134-139 Bgfo.
Art. 52 lid 2 Icbe-Richtlijn. Hierop is een uitzondering van kracht. Effecten en geldmarktinstrumenten die in art. 52 lid 3 en 4 Icbe-Richtlijn worden bedoeld, hoeven niet in aanmerking te worden genomen voor deze begrenzing.
Art. 52 lid 3 Icbe-Richtlijn.
Art. 54 lid 1 Icbe-Richtlijn. Beide uitzonderingen zijn al toegestaan sinds Icbe-Richtlijn I (art. 22 lid 3 en art. 23 Icbe-Richtlijn I).
COM (76) 152 def., p. 22.
Art. 54 Icbe-Richtlijn.
Alle lidstaten hebben gebruikgemaakt van deze optie, met uitzondering van Bulgarije. Zie voor het overzicht: https://ec.europa.eu/info/law/undertakingscollective-investment-transferable-securities-ucits-directive-2009-65-ec/ implementation/implementation-eu-countries_en (laatst bekeken op 12 augustus 2018). Deze uitzondering is van toepassing sinds de herziening van de Icbe-Richtlijn van 1988 (door art. 1 van Richtlijn 88/220/EEG).
De lijst staat op de website van de Europese Commissie, zie de link: https:// ec.europa.eu/info/law/undertakings-collective-investment-transferablesecurities-ucits-directive-2009-65-ec/implementation/implementation-eucountries_en
Overweging 2 Richtllijn 88/220/EEG.
Zie https://ec.europa.eu/info/sites/info/files/file_import/netherlands-issuers_ en_0.pdf (laatst bekeken op 12 augustus 2018). In dit Nederlandse overzicht is voor de lijst van obligaties verwezen naar het register van gedekte obligaties.
Uit de tekst van de Nederlandse Richtlijn is niet duidelijk op te maken waar de 80% op terugslaat. Op het eerste gezicht lijkt die 80% terug te slaan op de obligaties van één en dezelfde instelling. Dit zou echter in tegenspraak zijn met de eerste alinea van art. 52 lid 4 Icbe-Richtlijn en met de Engelse tekst van de Richtlijn. Waarschijnlijk slaat de 80% terug op beleggingen in obligaties van dezelfde instellingen waarin de icbe meer dan 5% van haar activa heeft geïnvesteerd.
Art. 43 lid 4 OPC-Law 2010 en art. 70 lid 3 sub b UCITS Regulations 2011.
De AEX kent momenteel vier bedrijven die een weging hebben van meer dan 10%( april 2018).
Art. 53 lid 1 aanhef Icbe-Richtlijn.
ESMA/2014/937, punt 49.
Zie art. 53 lid 1 sub a-c Icbe-Richtlijn.
Art. 53 lid 2 Icbe-Richtlijn.
Deze Richtlijn is inmiddels vervallen en vervangen door de Jaarrekening-Richtlijn. Vermoedelijk wordt een verwijzing naar deze Richtlijn beoogd.
Verwarrend is overigens dat in de Richtlijn één en dezelfde instelling op verschillende manieren wordt aangeduid (bijvoorbeeld eenzelfde en één en dezelfde en in de Engelse Richtlijn single body en same body). Dit kan beter geüniformeerd worden, waarbij voor één omschrijving wordt gekozen.
COM (76) 152 def., p. 23.
Art. 74 lid 1 UCITS Regulations 2011 en art. 48 lid 1 OPC-Law 2010.
Maximaal 5% van de waarde van de activa van de icbe mag in effecten en/of geldmarktinstrumenten van eenzelfde uitgevende instelling worden geïnvesteerd.1 Het risico met betrekking tot de onderliggende waarden van financiële derivaten moet hierbij ook worden meegenomen.2 Deze limiet was al opgenomen in het eerste voorstel voor de Icbe-Richtlijn, maar een duidelijke motivering hiervoor, anders dan ‘het belang van de deelnemers’, is niet te vinden.3 De limiet is bijzonder eenvoudig. Er wordt geen rekening gehouden met correlaties of met risico. Door effecten te kiezen die sterk gecorreleerd zijn, kan toch een onvoldoende gediversifieerde (en daardoor risicovolle) portefeuille ontstaan. In de praktijk is er niet veel weerstand tegen de regel omdat er verschillende uitzonderingen mogelijk zijn. Lidstaten kunnen kiezen of ze van deze uitzonderingen gebruikmaken en de meeste lidstaten (waaronder Luxemburg, Ierland en Nederland) hebben van alle mogelijke uitzonderingen gebruikgemaakt.4 Door deze uitzonderingen bieden de limieten vaak voldoende ruimte.
De volgende uitzonderingen op de 5%-effectenlimiet zijn toegestaan:
Lidstaten mogen de limiet van 5% verhogen tot 10%. Investeringen in effecten en/of geldmarktinstellingen in één instelling van meer dan 5% mogen tezamen niet meer dan 40% van de waarde van de activa van de icbe bedragen.5 Deze regel is beter bekend als de 5/10/40 regel.
Lidstaten mogen de 5%-grens tot 35%6 en zelfs tot 100%7 verhogen voor effecten of geldmarktinstrumenten die zijn uitgegeven of gegarandeerd door een lidstaat, een derde land, een territoriaal publiekrechtelijk lichaam van een lidstaat (local authorities) of een publiekrechtelijke instelling waarin één of meer lidstaten deelnemen. De motivatie van deze uitzondering is dat beleggingen in deze effecten over het algemeen risicovrij zijn.8 Deze motivatie komt uit 1976 en is inmiddels sterk achterhaald. De recente Eurocrisis heeft immers aangetoond dat deze effecten wel degelijk risico kennen. Als de grens wordt verhoogd tot meer dan 35%, dienen de lidstaten aanvullende eisen te stellen. De bescherming van de deelnemers moet gelijkwaardig zijn aan de bescherming die voortvloeit uit de spreidingsvereisten van de Icbe-Richtlijn (met andere woorden: het risico moet beperkt of gespreid zijn). Daarnaast moeten in de portefeuille effecten uit ten minste zes verschillende emissies zitten. De effecten uit één emissie mogen niet meer dan 30% uitmaken van het totale bedrag van de activa. In haar fondsreglement of statuten moet de icbe nadrukkelijk verwijzen naar landen of lichamen waarin zij meer dan 35% van haar activa investeert of voornemens is te investeren. Deze documenten moeten bovendien worden goedgekeurd door de bevoegde toezichthouder. In het prospectus en in publicitaire mededelingen moet de aandacht worden gevestigd op de ontheffing.9
Lidstaten mogen de 5%-grens tot 25% verhogen voor obligaties die worden uitgegeven door een kredietinstelling die de statutaire zetel in een lidstaat heeft én die onderworpen is aan speciaal overheidstoezicht ter bescherming van de obligatiehouders.10 Categorieën obligaties en uitgevende instellingen worden op een lijst geplaatst die de Europese Commissie deelt met het publiek.11 In de Richtlijn is aangegeven dat het hier met name om gedekte obligaties gaat. Deze uitzondering is opgenomen met het oog op de obligatiemarkt in Denemarken.12 Deze werd gedomineerd door hypothecaire obligaties die werden uitgegeven door een beperkt aantal partijen. Houders van deze obligaties werden extra beschermd en dientengevolge vond de Europese Commissie een uitzondering gerechtvaardigd. Nu maken bijna alle lidstaten gebruik van deze uitzondering. In Nederland heeft de toezichthouder opvallenderwijs alle gedekte obligaties opgenomen die in het register van gedekte obligaties staan dat De Nederlandsche Bank conform artikel 3:33a Wft bijhoudt.13 In Nederland is het bereik van de vrijstelling daarmee ruimer dan in de andere lidstaten, waarin enkele specifieke obligatietypen zijn opgenomen.
In totaal mag niet meer dan 80% van de waarde van de eigen activa belegd zijn in (gedekte) obligaties van instellingen waar de icbe meer dan 5% van haar activa in heeft belegd.14 In artikel 135 van het Bgfo staat dat het gaat om 80% van de activa van de uitgevende instelling. Dit berust waarschijnlijk op een implementatiefout. In de Richtlijn is opgenomen dat het gaat om 80% van de waarde van de activa van de icbe. Ook in de Luxemburgse en Ierse implementatie is de 80% opgenomen als percentage van de waarde van de activa van de icbe en niet van de activa van de uitgevende instelling.15
Reconstructie van welbekende aandelen- of obligatie-indexen wordt door de wetgever gezien als een wenselijke beheerstechniek. Het is echter mogelijk dat zo’n reconstructie vereist dat meer dan 5% of 10% van de activa wordt belegd in de effecten van één uitgevende instelling.16 Daarom kunnen lidstaten de limiet van 5% verhogen tot 20% voor beleggingen in aandelen en obligaties van één en dezelfde uitgevende instelling wanneer het beleggingsbeleid van de icbe erop gericht is de samenstelling van een aandelen- of obligatieindex te volgen.17 De icbe dient op te nemen in haar prospectus dat ze gebruikmaakt van deze mogelijkheid.18 De index moet door de bevoegde autoriteit van de icbe erkend zijn op basis van drie in de Richtlijn uitgeschreven voorwaarden: de samenstelling van de index moet voldoende gediversifieerd zijn, de index moet voldoende representatief zijn voor de markt waarop hij betrekking heeft en de index moet op passende wijze bekend worden gemaakt.19 De lidstaten kunnen de limiet zelfs tot 35% ophogen als uitzonderlijke marktomstandigheden dit rechtvaardigen.20
Naast de restricties die voortvloeien uit de communautaire bepalingen leggen enkele toezichthouders ook nog additionele beperkingen op. Zo mag in Luxemburg een icbe bijvoorbeeld niet zomaar meer dan 20% van haar activa beleggen in bufferobligaties, beter bekend onder de Engelse naam contingent covertible bonds ofwel coco’s. Dit wordt alleen toegestaan als de minimale instapgrens zeer hoog is of als niet-professionele beleggers als deelnemers worden uitgesloten. Deze beperking vloeit niet voort uit geschreven regels maar legt de toezichthouder op bij het indienen van het prospectus.
Ondernemingen die tot één groep worden gerekend voor de opstelling van geconsolideerde jaarrekeningen (als gedefinieerd in Richtlijn 83/349/EEG21 of andere erkende financiële verslagleggingsregels) worden beschouwd als één en dezelfde uitgevende instelling. De Nederlandse Richtlijn bevat hier een verschrijving. De zinsnede ‘voor de berekening van de in dit art. gestelde begrenzing(en)’ staat dubbel in deze zin. Dit dient bij een nieuwe update gewijzigd te worden.22 De lidstaten mogen toestaan dat beleggingen in effecten en geldmarktinstrumenten bij één en dezelfde groep worden geaccumuleerd tot ten hoogste 20%.23 Wat als groep moet worden beschouwd, is niet nader gedefinieerd. Deze toevoeging creëert daardoor slechts verwarring.
Naast deze limieten is er ook nog een andere limiet op effecten. Een beleggingsmaatschappij of een beheerder mag voor het geheel van door haar of hem beheerde icbe’s niet zoveel aandelen met stemrecht verwerven dat zij of hij daardoor invloed van betekenis kan uitoefenen op het bestuur van een uitgevende instelling. De Vereeniging voor den Effectenhandel vond dit al een risico, zie paragraaf 3.2. De Europese Commissie geeft hierbij aan dat tot nadere coördinatie, de lidstaten rekening moeten houden met de in wetgeving van andere lidstaten bestaande voorschriften waar dit beginsel in is opgenomen. Deze bepaling staat er al vanaf Icbe-Richtlijn I in, nadere coördinatie is sindsdien nog niet bereikt.24 Het initiële voorstel van de Europese Commissie om een grens van 5% te hanteren werd uiteindelijk te restrictief bevonden.25 In Nederland is dit percentage bepaald op 20% van de aandelen met stemrecht.26 In Luxemburg en Ierland geldt dat er niet zoveel aandelen met stemrecht verworven mogen worden dat er een significante invloed op het bestuur van een uitgevende instelling kan worden uitgeoefend, daar is geen percentage bepaald.27
Het percentage obligaties, aandelen zonder stemrecht en geldmarktinstrumenten dat een individuele icbe mag verwerven is gemaximeerd tot ieder 10% van de uitgevende instelling.
Voor enkele typen effecten (bijvoorbeeld die door een lidstaat zijn gegarandeerd) kunnen lidstaten afzien van deze maxima.28 De limieten hoeven niet nageleefd te worden bij de uitoefening van voorkeursrechten verbonden aan verworven effecten en geldmarkinstrumenten.29