Einde inhoudsopgave
Wijziging van beperkte rechten (O&R nr. 123) 2021/4.2.1
4.2.1 Inleiding
mr. K. Everaars, datum 01-12-2020
- Datum
01-12-2020
- Auteur
mr. K. Everaars
- JCDI
JCDI:ADS254097:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Art. 3:323 BW is als equivalent van art. 3:106 BW aan te merken voor de zekerheidsrechten, omdat art. 3:106 BW niet gemakkelijk toe te passen is op zekerheidsrechten. Zie bijv. Jansen, in: Tenietgaan van beperkte rechten 2017, par. 1. Art. 3:323 lid 1 BW bepaalt dat een pand- of hypotheekrecht tenietgaat als gevolg van voltooiing van de verjaring van de rechtsvordering tot nakoming van de verbintenis waarvoor het zekerheidsrecht is gevestigd. Art. 3:323 BW blijft hier buiten toepassing. Wel is denkbaar dat het zekerheidsrecht ‘tenietgaat’ voor wat betreft de ene schuld, terwijl het zekerheidsrecht voor een andere schuld blijft bestaan. Zie Van Kessel, MvV 2015/3, p. 69 en Jansen, in: Tenietgaan van beperkte rechten 2017, par. 2.
In het kader van een erfdienstbaarheid is het (het) makkelijk(st) voorstelbaar dat een wijziging intreedt door verjaring.
Alleen Van Vliet, NTBR 2004/38, afl. 5, par. 16 geeft in het kader van art. 3:99 en art. 3:105 BW aan dat niet alleen een ontstaan en tenietgaan van beperkte rechten door verjaring mogelijk is, maar ook een inhoudelijke verandering.
Zie bijv. Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/543.
Jansen 2011, p. 278.
Volgens Baur/Baur & Stürner, Sachenrecht 2009, §53, aant. 85 en 86 heeft de verkrijgende verjaring van §937 BGB in de praktijk geen grote betekenis. De bepaling is vooral relevant als de bezitter geen beroep toekomt op derdenbescherming via §932. Dat geval doet zich bijvoorbeeld voor als sprake is van diefstal van een roerende zaak. Ingevolge §935 BGB is derdenbescherming dan niet van toepassing. Zie ook Jansen 2011, p. 104-105.
Een bijzonder vorm van verkrijgende verjaring voor onroerende zaken is neergelegd in §927 BGB. Dat artikel is op beperkte rechten echter niet van toepassing, dus laat ik hier buiten beschouwing. Zie over §927 BGB ook Jansen 2011, p. 96 e.v.
Ingevolge §1090 lid 2 BGB is §1028 BGB ook van toepassing op een beschränkte persönliche Dienstbarkeit.
Prütting 2020, §22, aant. 253.
435. Beperkte rechten kunnen ontstaan of tenietgaan door verjaring. Art. 3:99 BW bepaalt dat rechten op goederen door een bezitter te goeder trouw worden verkregen door een onafgebroken bezit gedurende drie of tien jaren. Art. 3:105 BW bepaalt dat een goed wordt verkregen indien het goed in bezit is op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, ook al was het bezit niet te goeder trouw. Art. 3:106 BW bepaalt dat een beperkt recht tenietgaat wanneer de verjaring van de rechtsvordering van een beperkt gerechtigde tegen de hoofdgerechtigde tot opheffing van een met het beperkte recht strijdige toestand wordt voltooid.1
436. In deze paragraaf laat ik zien of en zo ja, hoe art. 3:99, art. 3:105 en art. 3:106 BW zich laten toepassen op de wijziging van beperkte rechten, meer specifiek op de wijziging van een erfdienstbaarheid.2 In de literatuur is nog weinig aandacht besteed aan een wijziging van de inhoud van beperkte rechten door verjaring ingevolge art. 3:99 of art. 3:105 BW.3 In de literatuur wordt wel gewezen op de mogelijkheid van een wijziging via art. 3:106 BW.4 De regels van art. 3:99 en art. 3:105 BW zijn – anders dan art. 3:106 BW – niet specifiek toegesneden op beperkte rechten. Dat maakt de toepassing lastig. Zo merkt Jansen in het kader van bezit van erfdienstbaarheden op dat “veel onnodige onduidelijkheid en verwarring” is gecreëerd en dat “de verschillende bepalingen van de bezitsregeling (…) zich alleen met veel kunst- en vliegwerk op erfdienstbaarheden [laten] toepassen.”5
437. Naar Duits recht maakt §937 BGB een verkrijging door verjaring mogelijk voor roerende zaken.6 §1033 jo. §937 BGB maakt een verkrijging door verjaring mogelijk voor rechten van vruchtgebruik op roerende zaken. §900 lid 1 BGB maakt een verkrijging door verjaring mogelijk voor onroerende zaken. §900 lid 2 BGB maakt een verkrijging door verjaring mogelijk voor rechten van vruchtgebruik, opstal of erfdienstbaarheden op onroerende zaken.7 In §1028 BGB is een met art. 3:106 BW vergelijkbare regeling specifiek voor erfdienstbaarheden neergelegd.8 Het artikel bepaalt dat wanneer een met de erfdienstbaarheid strijdige toestand bestaat, de eigenaar van het heersende erf een vordering heeft tot opheffing van de strijdige toestand. Als de vordering tot opheffing van de strijdige toestand verjaart, dan vervalt de erfdienstbaarheid. Het Duits recht kent in §901 BGB eenzelfde soort regeling voor beperkte rechten die niet (meer) in het Grundbuch staan ingeschreven. Op grond van §901 eerste zin BGB vervalt het beperkte recht als de rechtsvordering van de beperkt gerechtigde jegens de eigenaar vanwege een met het beperkte recht strijdige toestand verjaart (zie ook §194 BGB).9
438. De opzet van deze paragraaf is als volgt. In paragraaf 4.2.2 bespreek ik dat via art. 3:99, art. 3:105 of art. 3:106 BW de inhoud van een beperkt recht kan uitbreiden of inperken. Bij het toepassen van de vereisten op de wijziging van de inhoud van een beperkt recht, maak ik onderscheid tussen twee situaties. In paragraaf 4.2.3 komt het ontbreken van een wijziging aan bod. In paragraaf 4.2.4 staat de mislukte wijziging centraal. In paragraaf 4.2.5 bespreek ik de rechtsgevolgen van een geslaagde wijziging door verjaring. Ik sluit af met een conclusie in paragraaf 4.2.6.