Einde inhoudsopgave
Wijziging van beperkte rechten (O&R nr. 123) 2021/4.2.5
4.2.5 Rechtsgevolgen
mr. K. Everaars, datum 01-12-2020
- Datum
01-12-2020
- Auteur
mr. K. Everaars
- JCDI
JCDI:ADS254080:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Snijders & Rank-Berenschot, Goederenrecht 2017/255.
Snijders & Rank-Berenschot, Goederenrecht 2017/255.
Zie hierna.
Zie Stein, WPNR 2020/7288 in het kader van de positie van de zekerheidsgerechtigde in geval van eigendomsverlies door art. 3:105 BW als gevolg van bezit te kwader trouw.
Vgl. Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/218a in het kader van een uitbreiding van het object van een erfpachtrecht door partijen: “In wezen ontstaat er dan een nieuw erfpachtrecht op het ‘toegevoegde’ gedeelte.”
Deze conclusie geldt als de inhoud van een beperkt recht door verjaring is gewijzigd. De situatie dat een object door verjaring wordt gewijzigd, blijft hier buiten beschouwing.
HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309, NJ 2018/141, m.nt. H.J. Snijders, JOR 2017/186, m.nt. S.E. Bartels & V. Tweehuysen (Gemeente Heusden/Verweerders), r.o. 3.7.1-3.7.4.
Bartels & Tweehuysen, JOR 2017/186, nr. 9; Jansen, RM Themis 2018/1, par. 4 en Bartels, in: Verjaring 2020, par. 3, voetnoot 3 (online).
Jansen, RM Themis 2018/1, par. 4.
Vgl. Bartels, in: Verjaring 2020, par. 3, voetnoot 3 (online).
488. De wet of jurisprudentie geven geen (expliciet) antwoord op de vraag wat de gevolgen zijn van de wijziging van (de inhoud van) een beperkt recht door verjaring. In het kader van art. 3:99 en art. 3:105 BW is dat te verklaren. Bij het ontwerpen en invoeren van die artikelen is niet stilgestaan bij de mogelijkheid dat een beperkt recht van inhoud kan wijzigen. In het kader van art. 3:106 BW is dat ook te verklaren. Uit dat wetsartikel vloeit voort dat het rechtsgevolg van een gedeeltelijke strijdige toestand is dat de inhoud van het beperkte recht vermindert. Het beperkte recht gaat als gevolg van de gedeeltelijk strijdig toestand, slechts gedeeltelijk teniet. Het recht blijft dus voor het overige bestaan. Zo schrijft Snijders dat “het moederrecht (…) in draagwijdte aangroeit.”1 Als gevolg daarvan vermindert dus het beperkte recht in draagwijdte. Er komt geen nieuw eigendomsrecht tot stand2 en er komt geen nieuw beperkt recht tot stand. Hetzelfde rechtsgevolg geldt als via art. 3:99 BW de inhoud van een erfdienstbaarheid vermindert, bijvoorbeeld als gevolg van een mislukte wijziging van de inhoud van een erfdienstbaarheid. Het beperkt recht blijft voor het overige bestaan.
489. Denkbaar is dat een erfdienstbaarheid in die zin qua inhoud vermindert, terwijl op het heersende erf een hypotheekrecht rust. Het object van het hypotheekrecht ondergaat een waardevermindering, want een erf met een erfdienstbaarheid om met en zonder voertuigen over het dienende erf te gaan, is meer waard dan een erf met een erfdienstbaarheid om alleen zonder voertuigen over het dienende erf te gaan. Uit de wet blijkt niet of het (gedeeltelijk) tenietgaan van de erfdienstbaarheid werkt jegens de hypotheekhouder. Stel dat dat zo is en het gedeeltelijk tenietgaan is het gevolg van kwade trouw, dan heeft de eigenaar van het heersende een schadevergoedingsactie op grond van onrechtmatige daad.3 Als op het heersende erf een hypotheekrecht rust, krijgt de hypotheekhouder van rechtswege een pandrecht op die vordering (art. 3:229 lid 1 BW).4
490. Wat zijn de rechtsgevolgen in het kader van art. 3:99 en art. 3:105 BW? Stel: A is rechthebbende van een erfdienstbaarheid met als inhoud de aanwezigheid van een boom of venster te dulden. Op een gegeven moment plant A nog een boom of plaatst A nog een venster te dicht bij de erfgrens (vgl. art. 5:42 en art. 5:50 BW). Aangenomen dat sprake is van bezit (al dan niet te goeder trouw) van een erfdienstbaarheid met betrekking tot de tweede boom of het tweede venster, ontstaat een geheel nieuwe erfdienstbaarheid met betrekking tot de tweede boom of het tweede venster, ontstaat een tweede erfdienstbaarheid of wijzigt de inhoud van de bestaande erfdienstbaarheid?5 Mijns inziens is vanwege dezelfde argumenten als besproken in paragraaf 3.2.4 in beginsel sprake van een voortzetting van het beperkte recht in gewijzigde vorm. Als een erfpachtrecht door verjaring inhoudelijk wordt uitgebreid, rust een op het erfpachtrecht gevestigd hypotheekrecht dus ook op het door verjaring uitgebreide erfpachtrecht.6 Dat zou niet het geval zijn als voor het uitgebreide gedeelte een nieuw erfpachtrecht zou ontstaan. De uitzondering die ik in paragraaf 3.2.4 bespreek dat van een voortzetting geen sprake is als naar verkeersopvatting niet meer kan worden gesproken van hetzelfde beperkte recht, geldt mijns inziens ook in dit verband. Als een erfdienstbaarheid van niet-bouwen wordt verruimd met een erfdienstbaarheid van weg, komt dus voor het verruimde gedeelte een tweede erfdienstbaarheid tot stand.
491. Verkrijging door verjaring is overigens niet beperkt tot de bezitter te goeder trouw. Volgens de parlementaire geschiedenis diende het recht zich op den duur bij de feiten aan te sluiten, ook bij kwade trouw.7 De Hoge Raad heeft in het arrest Gemeente Heusden/Verweerders echter (ten overvloede) overwogen dat de degene die als bezitter te kwader trouw de eigendom verkrijgt op grond van art. 3:105 BW bloot kan staan aan een vordering uit onrechtmatige daad van de voormalig rechthebbende. In het arrest valt te lezen dat “[e]een persoon die een zaak in bezit neemt en houdt, wetende dat een ander daarvan eigenaar is, (…) tegenover die eigenaar immers onrechtmatig [handelt].” Via art. 6:162 BW is een schadevergoeding in geld mogelijk als aan de overige vereisten van art. 6:162 BW is voldaan. Via art. 6:162 jo. art. 6:103 BW is zelfs mogelijk dat schadevergoeding in de vorm van overdracht van het in bezit genomen goed wordt toegekend.8
492. In de literatuur is terecht aangenomen dat het arrest ook van toepassing is als geen eigendom, maar een beperkt recht via art. 3:105 BW is verkregen door een bezitter te kwader trouw.9 Het arrest heeft ook gevolgen voor het (gedeeltelijk) tenietgaan van een beperkt recht op grond van art. 3:106 BW.10 Via art. 6:162 jo. art. 6:103 BW is – indien aan de overige vereisten van art. 6:162 BW is voldaan – schadevergoeding in de vorm van afstand van het beperkte recht mogelijk (in geval van art. 3:105 BW) of de vestiging van het beperkte recht (in geval van art. 3:106 BW). Ook in het kader van een wijziging van beperkte rechten in de zin van art. 3:105 en art. 3:106 BW is het arrest van toepassing.11 Te denken valt aan de casus dat een eigenaar van het heersende erf (te kwader trouw) zijn erfdienstbaarheid uitbreidt, bijvoorbeeld door nog een boom te planten of nog een venster te plaatsen. Of aan de casus dat de eigenaar van het dienende erf (te kwader trouw) een recht van weg gedeeltelijk belemmert. De schadevergoeding in natura houdt ook dan in dat afstand wordt gedaan van de verruiming van het beperkte recht (in geval van art. 3:105 BW) of dat het verminderde gedeelte weer wordt gevestigd (in geval van art. 3:106 BW). Er is sprake van een gedeeltelijke afstand of een aanvullende vestiging, zoals besproken in paragraaf 3.2.