Wijziging van beperkte rechten
Einde inhoudsopgave
Wijziging van beperkte rechten (O&R nr. 123) 2021/4.2.6:4.2.6 Conclusie
Wijziging van beperkte rechten (O&R nr. 123) 2021/4.2.6
4.2.6 Conclusie
Documentgegevens:
mr. K. Everaars, datum 01-12-2020
- Datum
01-12-2020
- Auteur
mr. K. Everaars
- JCDI
JCDI:ADS254038:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
493. In deze paragraaf heb ik laten zien hoe art. 3:99, art. 3:105, art. 3:106 en art. 3:107 e.v. BW zich laten toepassen op de wijziging van beperkte rechten. Gemakkelijk is die toepassing niet. De artikelen zijn niet toegesneden op beperkte rechten, laat staan op een wijziging van beperkte rechten. Na analyse blijkt dat een inhoudelijke wijziging een bijzondere toepassing is van ofwel een verkrijging van een beperkt recht via art. 3:99 of art. 3:105 BW ofwel een tenietgaan van een beperkt recht via art. 3:99 of art. 3:105 respectievelijk art. 3:106 BW. Als sprake is van een verkrijging, leidt dat tot een uitbreiding van de inhoud van een beperkt recht. Vereist is bezit van een gewijzigd beperkt recht. Als sprake is van een tenietgaan, leidt dat tot een inperking van de inhoud van een beperkt recht. Vereist is bezit van een gewijzigd moederrecht.
494. Het is niet duidelijk onder welke voorwaarden precies sprake is van een uitbreiding van een beperkt recht via art. 3:105 BW. Vereist is inbezitneming van een gewijzigd beperkt recht. Twee visies zijn te onderscheiden: een (naar buiten toe blijkende) pretentie van bezit is vereist of een feitelijke uitoefening die correspondeert met het gewijzigde recht is vereist. De rechtsonzekerheid die geldt bij de verkrijging of het tenietgaan van beperkte rechten, geldt ook bij een inhoudelijke wijziging van beperkte rechten. In het eerste geval is bezit niet snel aanwezig, want hoe gedraagt iemand zich die bijvoorbeeld pretendeert rechthebbende te zijn van een gewijzigde erfdienstbaarheid van overpad? Dat over het pad – in strijd met de gevestigde erfdienstbaarheid – ook met de auto wordt gereden, wijst er nog niet op dat de eigenaar van het heersende erf pretendeert die handelingen te verrichten op grond van een gewijzigde erfdienstbaarheid. In het tweede geval kan bezit sneller worden aangenomen, want dat regelmatig – in strijd met de gevestigde erfdienstbaarheid – met de auto over het pad wordt gereden, is voldoende voor bezit van een gewijzigde erfdienstbaarheid.
495. De inperking van een beperkt recht is minder complex, omdat op grond van art. 3:106 BW de inbezitneming van een gewijzigd moederrecht gepaard moet gaan met een met het beperkte recht strijdige toestand. Als de eigenaar van het dienende erf de uitoefening van een erfdienstbaarheid van weg gedeeltelijk onmogelijk maakt, leidt dat tot inbezitneming van een gewijzigd moederrecht. De weg wordt bijvoorbeeld dusdanig geblokkeerd dat de eigenaar van het heersende erf de weg alleen nog maar te voet kan betreden en niet per auto. Op het moment dat de rechtsvordering van de eigenaar van het heersende erf tot opheffing van de onrechtmatige toestand verjaart, gaat het beperkte recht gedeeltelijk teniet. Daardoor wijzigt de inhoud. De verjaringstermijn bedraagt twintig jaar op grond van art. 3:306 BW. Voor toepassing van art. 3:106 BW is een gedeeltelijke strijdige toestand vereist. Incidentele inbreuken zijn niet voldoende om te spreken va een onrechtmatige toestand. Het moet gaan om een continue inbreuk.
496. Duidelijk is dat bezit sneller kan worden aangenomen als gevolg van een mislukte vestiging en dus mislukte wijziging van een beperkt recht. Het bezit wordt dan niet verkregen via inbezitneming, maar via bezitsverschaffing. Als bezit tegelijk met een recht is verkregen, is niet vereist dat nog bezitsdaden worden verricht. Bij een mislukte vestiging of wijziging wordt echter het recht niet verkregen, zodat niet duidelijk is of naast de bezitsverschaffing ook bezitsdaden zijn vereist. Steun voor de opvatting dat toch bezitsdaden zijn vereist, is te vinden in de wetsgeschiedenis, literatuur en rechtspraak, maar een nadeel is dat de bescherming mogelijk verder reikt dan nodig. Het betekent dat de partij die medewerking heeft verleend aan de mislukte wijziging, zich erop kan beroepen dat geen bezitsdaden zijn verricht en dus door verjaring geen gewijzigd recht is verkregen. Dit beroep zou echter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kunnen zijn of misbruik van bevoegdheid kunnen opleveren. Een nadeel van het standpunt dat bezitsdaden niet zijn vereist, is dat een rechtsopvolger van het bezit niet op de hoogte kan zijn, terwijl de eis van bezit ook zijn belangen behoort te beschermen. In dit geval zou echter kunnen worden aangenomen dat een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is of misbruik van bevoegdheid oplevert.
497. De wijziging van een beperkt recht door verjaring leidt in beginsel tot een voortzetting van het beperkte recht in gewijzigde vorm. Dat volgt met betrekking tot art. 3:106 BW uit de aard van de wijziging. Er is sprake van een gedeeltelijk tenietgaan, dus het beperkte recht blijft voor het overige bestaan. Hetzelfde geldt als de inhoud van een beperkt recht via art. 3:99 BW vermindert. Met betrekking tot een uitbreiding van de inhoud van een beperkt recht via art. 3:99 en art. 3:105 BW volgt niet direct uit de wet wat de rechtsgevolgen zijn. Ook hier zet het beperkte recht zich voort in gewijzigde vorm. De uitbreiding van een beperkt recht sluit op die manier qua rechtsgevolgen ook aan bij de inperking van een beperkt recht. Een uitzondering geldt echter als volgens verkeersopvatting niet meer van ‘hetzelfde recht’ gesproken kan worden.