Einde inhoudsopgave
Wijziging van beperkte rechten (O&R nr. 123) 2021/4.2.2
4.2.2 Uitbreiding of inperking
mr. K. Everaars, datum 01-12-2020
- Datum
01-12-2020
- Auteur
mr. K. Everaars
- JCDI
JCDI:ADS254120:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Zo schrijft Verheul, NTBR 2017/17, afl. 4, par. 2 dat “[h]et Nederlandse recht (…) derhalve twee wijzen [kent] waarop een beperkt recht door verjaring teniet kan gaan: (i) verkrijgende verjaring van de onbezwaarde eigendom van de zaak, als gevolg waarvan het beperkte recht komt te vervallen (artikel 3:99 BW); en (ii) verval van het beperkte rechten door inactiviteit, namelijk verjaring van de rechtsvordering van de beperkt gerechtigde (artikel 3:103/3:106 BW).” Zie ook Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 417 (TM); De Jong 2006/99, voetnoot 162 en nr. 229, voetnoot 370 en Hoops & Verstappen, NTBR 2016/41, afl. 9, p. 282.
Ook een uitbreiding van het object – een geografische uitbreiding – van een beperkt recht, bijvoorbeeld een erfpachtrecht, is mogelijk. Objectwijzigingen blijven in dit proefschrift buiten beschouwing.
In par. 4.2.5 bespreek ik of sprake is van een wijziging van de bestaande erfdienstbaarheid of van het ontstaan van een nieuwe erfdienstbaarheid (voor het uitgebreide gedeelte).
Verheul, NTBR 2017/17, afl. 4, p. 126 en 127. Art. 3:106 BW kwam in het Ontwerp-Meijers niet voor.
Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 419 (MvA II).
Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 421 (MvA II).
Zie Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 417 (TM). Vgl. De Jong 2006/99, voetnoot 162 en nr. 229, voetnoot 370. Zie uitgebreid Verheul, NTBR 2017/17, afl. 4.
Dat hebben Hoops & Verstappen, NTBR 2016/41, afl. 9 wel betoogd. Ten onrechte, betoogt Verheul, NTBR 2017/17, afl. 4 mijns inziens terecht. Zie ook Jansen, NTBR 2017/18, afl. 4.
Tweehuysen, in: Verjaring 2020, par. 1. Vgl. ook Asser/Beekhuis 3-I 1985/145: “Het bezit wordt algemeen beschouwd als een der moeilijkste leerstukken van het privaatrecht.”
Zie bijv. Hoops, WPNR 2017/7174; Heyman, Bartels & Tweehuysen, Vastgoedtransacties. Overdracht 2019/548 en Bartels, in: Verjaring 2020, par. 3, ad a.
Voor schepen en luchtvaartuigen geldt bij bezit te goeder trouw een van art. 3:99 BW afwijkende termijn van vijf jaar (zie art. 8:201, art. 8:791 en art. 8:1307 BW). Deze wetsartikelen blijven hier buiten beschouwing.
439. Het systeem van verjaring van art. 3:99, art. 3:105 en art. 3:106 BW werkt twee kanten op. Dat wil zeggen dat via de artikelen een ontstaan van beperkte rechten mogelijk is, maar evengoed een tenietgaan van beperkte rechten.1 Voor een wijziging van de inhoud van een beperkt recht betekent dit dat door verjaring het beperkte recht kan worden uitgebreid, maar ook kan worden ingeperkt. Daar waar de verkrijging van een beperkt recht mogelijk is via art. 3:99 of art. 3:105 BW, is ook een uitbreiding van de inhoud van een beperkt recht mogelijk.2 Daar waar het tenietgaan van een beperkt recht mogelijk is via art. 3:99, art. 3:105 of art. 3:106 BW, is ook een inperking van een beperkt recht mogelijk. Ik geef twee voorbeelden, eerst een voorbeeld van een uitbreiding van een erfdienstbaarheid, daarna een voorbeeld van een inperking van een erfdienstbaarheid.
440. Voorbeeld 1. A is rechthebbende van een erfdienstbaarheid met als inhoud dat B duldt dat A een boom te dicht bij de erfgrens heeft (vgl. art. 5:42 lid 1 BW). Als A bezitter is van een erfdienstbaarheid met als inhoud dat B moet dulden dat A twee bomen te dicht bij de erfgrens heeft, dan kan A door verjaring rechthebbende worden van een erfdienstbaarheid met die inhoud.3 Deze verjaring is mogelijk op grond van art. 3:99 BW als gevolg van onafgebroken bezit te goeder trouw van A of op grond van art. 3:105 BW als gevolg van verjaring van de rechtsvordering van B tot opheffing van het bezit van A. Vereist is bezit van een gewijzigd beperkt recht.
441. Voorbeeld 2. A is rechthebbende van een erfdienstbaarheid met als inhoud dat B duldt dat A over het erf van B loopt en rijdt. Als B bezitter is van een eigendomsrecht waarop een erfdienstbaarheid rust met als inhoud dat hij alleen duldt dat A over het erf loopt, dan kan B door verjaring rechthebbende worden van een eigendomsrecht waarop een erfdienstbaarheid rust met die inhoud. Deze verjaring is mogelijk op grond van art. 3:99 BW als gevolg van onafgebroken bezit te goeder trouw van B of op grond van art. 3:105 BW als gevolg van verjaring van de rechtsvordering van A tot opheffing van het bezit van B. Vereist is bezit van een gewijzigd moederrecht.
442. Voor het tweede geval is – alhoewel eigenlijk overbodig4 – art. 3:106 BW in het leven geroepen. Art. 3:106 BW bepaalt dat een beperkt recht tenietgaat als de verjaring van de rechtsvordering van een beperkt gerechtigde tegen de hoofdgerechtigde tot opheffing van een met het beperkte recht strijdige toestand wordt voltooid. De bepaling is ingevoerd als alternatief van de onder het Oud BW bestaande figuur van tenietgaan van een beperkt recht door niet-uitoefening (non usus).5 Blijkens de memorie van antwoord is een revolutionaire verandering niet beoogd: “[v]oor zover de non usus regel gerechtvaardigd is, wordt haar functie immers door het onderhavige artikel [3:106 BW, toevoeging] overgenomen.”6
443. Art. 3:106 BW eist geen bezit van een gewijzigd moederrecht, maar een met het beperkte recht strijdige toestand. In feite is daarin wel een bezitseis te lezen. Als van een met het beperkte recht strijdige toestand sprake is, zal – vanwege de invulling van die eis, zie hierna – ook sprake zijn van bezit van een gewijzigd moederrecht. Een dergelijk equivalent van art. 3:105 BW specifiek voor beperkt rechten bestaat niet voor art. 3:99 BW, zodat via art. 3:99 BW ook de ‘gewijzigde bezwaardheid’ vatbaar is voor verkrijging door verjaring.7 Daarvoor is niet vereist dat een met het beperkte recht strijdige toestand bestaat.8 Voldoende is bezit van een gewijzigd moederrecht.
444. Voor zowel een geslaagd beroep op art. 3:99 BW als op art. 3:105 BW (en in feite dus ook art. 3:106 BW) is gelet op het voorgaande allereerst bezit vereist. Zonder bezit geen verkrijging en dus ook geen wijziging. Alle goederen kunnen voorwerp van bezit zijn, zowel zaken als vermogensrechten en dus ook gewijzigde beperkt rechten of gewijzigde moederrechten. De vraag of sprake is van bezit is dus voor de rechtspraktijk van groot belang, maar is niet makkelijk te beantwoorden. “Het beoordelen of sprake is van bezit is in de praktijk notoir moeilijk”, aldus Tweehuysen.9 De wet kent enkele bepalingen die voor het vaststellen van bezit van belang zijn, zie art. 3:107 e.v. BW. Of iemand bezitter is wordt naar verkeersopvatting beoordeeld, met inachtneming van de regels van art. 3:109 e.v. BW en overigens op grond van uiterlijke feiten (art. 3:108 BW).
445. Voor een geslaagd beroep op art. 3:99 BW is voorts goede trouw vereist. Voor een invulling van de goede trouw is met name art. 3:118 BW van belang. Voor een geslaagd beroep op art. 3:105 of art. 3:106 BW is goede trouw niet vereist. Het ontbreken van goede trouw wijst overigens niet noodzakelijkerwijs op het aanwezig zijn van kwade trouw.10 Van kwade trouw is sprake als de bezitter weet dat hij geen rechthebbende is. Van kwade trouw is geen sprake, maar van goede trouw ook niet, als de bezitter niet weet dat hij geen rechthebbende is, maar dit wel behoort te weten.
446. Voor een geslaagd beroep op art. 3:99 BW is tot slot bezit gedurende een bepaalde termijn vereist. Voor roerende zaken en rechten aan toonder of order geldt een termijn van drie jaar. Voor andere goederen geldt een termijn van tien jaar.11 De termijn begint te lopen met de aanvang van de dag na het begin van het bezit (art. 3:101 BW). Voor een geslaagd beroep op art. 3:105 of art. 3:106 BW is verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van bezit of de onrechtmatige toestand vereist. Die rechtsvordering verjaart door verloop van twintig jaar (art. 3:306 BW). De termijn begint te lopen met de aanvang van de dag na het begin van het bezit of de onrechtmatige toestand (art. 3:314 lid 2 respectievelijk lid 1 BW).