Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/4.3.2.4
4.3.2.4 Hoe wordt de huidige koers in de fiscale literatuur opgevat?
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661615:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Bijv. Poelmann, in: Cursus Belastingrecht FBR.4.3.3.0 (bijgewerkt tot 12 december 2021); Happé 1996, par. 2.3 en 2.4; Gorissen 2008, par. 2.9.5-2.9.6; Jansen 2013, par. 3.3.1.2.2-3.3.1.2.3; Geppaart 1984, p. 487, 492; Van Nispen tot Sevenaer 1989; Gorissen 2004, p. 15-16; Spek in BNB 2021/76 (‘De Hoge Raad wijst vervolgens het beroep op het door inlichtingen gewekte vertrouwen af volgens de vaste regels.’).
Wattel 1991, par. 3.3.
Zie conclusie Staatsraad A-G Wattel 20 maart 2019, nr. 201802496/2/A1, punt 3.14 en Bijlage 1, punt 3.5 en punt 4(2)(c). Zie ook p. 2, 4, 20 en ten aanzien van de fiscale rechtspraak zie conclusie Staatsraad A-G Wattel 20 maart 2019, nr. 201802496/2/A1, Bijlage 2, punt 2.1, 2.16 e.v. Zie met instemming op de huidige koers bijv. Albert in BNB 2010/314, punt 1: ‘Opmerkelijk is (…) dat Hof 's-Hertogenbosch tot een ander oordeel kwam en belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel honoreerde. Kennelijk achtte het Hof de tijd rijp om de jurisprudentie over het vertrouwensbeginsel bij te stellen (…). Met de A-G (en, impliciet, de Hoge Raad) ben ik van mening dat een goede reden voor bijstelling ontbreekt.’ Zie ook Scheltema in NJ 1989, 715. Vgl. Van Nispen tot Sevenaer in FED 1990/231.
Kistenkas 1993a, par. 4.3; Zie ook Kistenkas 1993b, par. 3.
Kistenkas 1993a, par. 4.3.
Van Leijenhorst 1993, par. 5. De onderbouwing daarvoor betreft: ‘Mochten dergelijke uitlatingen van medewerkers van de belastingdienst toch een rechtens te honoreren vertrouwen kunnen opwekken, dan kan de belastingdienst haar voorlichtende taak niet langer met goed fatsoen vervullen.’
Zie Scheltens 1988 en zijn commentaar in BNB 1979/311 en in BNB 1990/148.
Den Boer in BNB 1988/148.
Zie Lalji in Overdijk 1993, p. 61. Lalji 1992, par. 5.
Zie Lalji in Overdijk 1993, p. 61.
Zie Lalji in Overdijk 1993, p. 61. Lalji 1992, par. 4, 5.
Douma 2020, p. 20. Kritisch over disclaimers in algemene voorlichting Geradts in FED 2002/469.
Zie Mertens 2008, onder het kopje ‘Voorlichting door de overheid’: ‘Voor de dagelijkse praktijk van duizenden salarisprofessionals is het Handboek hun kompas. Ik hoor salarisadministrateurs soms over het Handboek praten alsof het – vaktechnisch gezien – om het verlossende woord gaat. Zij vertrouwen op het Handboek, of dat rechtens gehonoreerd wordt of niet. Het Handboek heeft in die praktijk een ijzersterk imago en dat is iets waar de makers ervan trots op mogen zijn. Maar een dergelijk imago schept ook verplichtingen. De praktijk van alledag moet naar mijn mening af kunnen gaan op de informatie die in het Handboek is opgenomen, zelfs al blijkt deze achteraf onjuist. Zeker, werkgevers kunnen adviseurs inhuren die hen kunnen vertellen of de informatie van de overheid juist is, maar dat is natuurlijk de wereld op zijn kop.’ Zie overigens een toezegging van de staatssecretaris in Besluit 20 februari 2009, nr. CPP/2009/78M, V-N 2009/13.23, hierover in paragraaf 4.4 en 4.6.1.
Schlössels 2011, par. 2.5.2 (in het kader van de zaak BNB 2010/314); Schlössels e.a. 2019, 2019/1021.
Recent bijv. Spek in BNB 2021/76: ‘De Hoge Raad wijst vervolgens het beroep op het door inlichtingen gewekte vertrouwen af volgens de vaste regels.’; de redactie in V-N 1990/911, 9; Happé in BNB 2000/330; Mertens in BNB 2008/200, punt 7, maar kritisch in Mertens 2008.
Zie Van der Vegt in NTFR 2021/3783; Nent in NLF 2021/2162; de redactie in V-N 2021/48.13; de redactie in FutD 2021-3395; Leenders en Braakman 2021); Stevens, ‘de Hoge Raad geeft een zetje aan herstel van vertrouwen’ in het FD van 13 december 2021; IJzerman in FED 2022/11.
Bijv. Bergman in Belastingblad 2022/17; redactie in V-N 2021/48.13. Zie ook Scherff in Gemeenstestem 2022/3.
Zie ook mijn commentaar in BNB 2022/10, punt 25 e.v.
Opvallend is dat de motivering van de Hoge Raad de afgelopen decennia een haast magische overtuigingskracht lijkt te hebben gehad. In de fiscale literatuur wordt het veronderstelde belang van de onbelemmerde uitvoering van de voorlichtende taak nauwelijks ter discussie gesteld. Dat leidt ertoe dat eveneens weinig discussie is over de rechtvaardigingskracht van dit argument voor de hoofdregel nee, tenzij.
In de literatuur wordt de huidige koers in veel gevallen neutraal weergegeven, zoals in beschrijvingen in naslagwerken of commentaren.1 Een relatief neutrale tot instemmende benadering op de terughoudende koers bij de toepassing van het vertrouwensbeginsel bij voorlichting is te vinden bij Wattel uit begin jaren 90, waarin hij betoogt dat de Hoge Raad het dispositievereiste stelt:
‘om te voorkomen dat de fiscus op grond van angst voor gebondenheid geheel zou gaan afzien van het geven van inlichtingen. Omdat een niet tot voorlichting bereid zijnde fiscus niet in het belang van de belastingplichtigen is en een niet-voorgelicht publiek niet in het belang van de fiscus is, wordt het risico van onjuistheden in de voorlichting in eerste instantie bij het publiek gelegd.’2
Recenter lijkt Wattel evenmin aanleiding te zien om de koers ten aanzien van voorlichting aan te passen.3
Met instemming op de door de Hoge Raad gehanteerde koers schreef bijvoorbeeld Kistenkas in de jaren 90, die constateert dat de Hoge Raad zich bij ‘tegenwettelijke informatieverstrekking’ terughoudender heeft opgesteld dan bij ‘tegenwettelijke beleidsregels’.4Hij acht het ‘niet onterecht’ dat de Hoge Raad bij foutieve informatieverstrekking of inlichtingen(brieven), anders dan bij beleidsregels, twee extra eisen aan de toepassing van het vertrouwensbeginsel verbindt. Volgens hem wordt daarmee bereikt:
‘dat niet iedere foutieve informatieverstrekking vanuit allerlei lagere echelons van de belastingdienst zonder meer ook tegen de dienst gebruikt kan worden. Onjuiste informatie vanuit de portiersloge of van de koffiejuffrouw, maar ook klinkklare onzin van een controleur impliceren daarom niet meteen gewekt vertrouwen. Niet geheel ten onrechte overweegt de Hoge Raad dat het risico van onjuiste informatie in principe voor rekening van de belastingplichtige moet komen.’5
Van Leijenhorst ging zelfs nog iets verder. Hij ziet – als ik het goed interpreteer – geen ruimte om vertrouwen te honoreren dat is ontleend aan ‘uitlatingen van medewerkers van de belastingdienst met een voorlichtend karakter’ (waaronder hij o.a. schaart inlichtingen via de BelastingTelefoon en niet op een concreet geval betrekking hebbende antwoorden van medewerkers van de Belastingdienst op vragen van belastingplichtigen), ‘zelfs wanneer aan de dispositie-eis is voldaan’.6Dit impliceert een verdergaande terughoudendheid dan de Hoge Raad voorstaat.
Kritischer over de koers van de Hoge Raad is met name Scheltens eind jaren 70 en 80, die vooral het door de Hoge Raad geïntroduceerde dispositievereiste en de afbakening tussen niet-bindende inlichtingen en bindende toezeggingen problematisch acht (paragraaf 4.6.1).7 Datzelfde geldt voor Den Boer eind jaren 80, die eveneens kritisch is op het gebrek aan bescherming in geval van niet-kenbare onjuistheden in voorlichting (paragraaf 4.3.4).8 Kritischer is ook Lalji, die begin jaren 90 enkele vraagtekens en bezwaren heeft geplaatst bij de terughoudende rechtspraak bij binding van de Belastingdienst aan zijn voorlichting, onder meer ten aanzien de invulling van het dispositievereiste en de bewijslastverdeling.9 Lalji zou bij de gegeven motivering van het belang van een onbelemmerde en zo ruim mogelijke uitvoering van de voorlichtende taak ‘de vraag willen opwerpen wat in dit verband onder ‘zo ruim mogelijk’ dient te worden verstaan, dat wil zeggen, waar bij ‘zo ruim mogelijk’ de precieze grens ligt. In deze overweging ziet hij overigens ‘voldoende rek; een rek die ook in het voordeel van belastingplichtige kan uitvallen.’10 Dit wordt niet toegelicht en de rechtspraak geeft mijns inziens ook geen duidelijke aanknopingspunten voor die stelling.
Opvallend is overigens dat Lalji het andere aspect van het argument van de Hoge Raad, de onbelemmerde taakuitvoering, onbesproken laat, terwijl juist dat aspect er mijns inziens voor lijkt te zorgen dat de door hem gesignaleerde ‘rek’ niet snel in het voordeel van belastingplichtige zal uitvallen. Volgens Lalji zou de Belastingdienst bij de stand van de rechtspraak, ‘teneinde de rechtszekerheid van de belastingplichtigen beter te beschermen’ in voorlichtingsbrochures, de BelastingTelefoon en in de toelichting op het aangiftebiljet ‘een voorbehoud moeten maken door aan te geven dat aan toelichting geen rechten kunnen worden ontleend.’11 Hij bepleit dus geen andere koers, maar ziet de (praktische) oplossing, als ik het goed zie, veeleer in het opnemen van voorbehouden.
Recenter klinkt enige kritiek op de terughoudende koers van de Hoge Raad in een interview met Douma, die erop wijst dat bellers met de BelastingTelefoon vaak machteloos staan als de inspecteur een andere visie is toegedaan dan hetgeen aan hen via de BelastingTelefoon is meegedeeld.12 Volgens Douma mag de Hoge Raad zich op dit punt meer laten gelden, al licht hij niet toe waartoe dit moet leiden. Mertens is naar aanleiding van BNB 2008/200 kritisch op het gebrek aan bescherming via het vertrouwensbeginsel in de context van de handleiding loonheffingen van de Belastingdienst.13 Verder zijn vanuit de bestuursrechtelijke hoek door Schlössels kritische kanttekeningen geplaatst bij de fiscale koers, want gelet op de hoofdregel nee, tenzij komt ‘de fiscus gemakkelijk weg met het verstrekken van onjuiste informatie, ook als het gaat om gedetailleerde algemene informatie die wordt verstrekt in verband met specifieke besluitvorming.’14
In recentere publicaties, zoals in annotaties bij recentere arresten uit de voorlichtingsjurisprudentie, is veelal te zien dat men een arrest plaatst in de lijn van de bestaande rechtspraak.15 Het commentaar houdt op dit punt dan veelal in, althans is beperkt tot, dat het arrest past binnen de vaste jurisprudentielijn. Zo bezien, staat de beperkte mate van rechtsbescherming voor belastingplichtigen die verwachtingen hebben ontleend aan voorlichting de afgelopen jaren weinig in de schijnwerpers.
Interessant is dat uit recente, positieve commentaren op het arrest in BNB 2022/10 kan worden afgeleid dat de hoofdregel nee, tenzij als (te) streng wordt gezien. Zo is in de commentaren unaniem met instemming gereageerd op de herziening van het dispositievereiste, waardoor diverse auteurs ruimere mogelijkheden zien voor toepassing van het vertrouwensbeginsel.16 Bijvoorbeeld Bergman, en de redactie Vakstudie Nieuws vatten het arrest op als een koerswijziging waarmee de kans op een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel ‘aanzienlijk’ of ‘fors’ is verruimd, hoewel de hoop wordt geuit dat de Belastingdienst als gevolg van dit arrest niet terughoudender zal zijn in het verstrekken van voorlichting.17 Overigens moet de toegenomen beschermingsmogelijkheid met dit arrest mijns inziens worden genuanceerd, aangezien het dispositievereiste als zodanig wordt gehandhaafd (paragraaf 4.3.4).18
Het beeld is dus dat de afgelopen decennia in de fiscale literatuur relatief weinig discussie en theorievorming bestaat over de huidige koers. Afgezien van kritische besprekingen uit met name de begintijd van de voorlichtingsjurisprudentie, stond de hoofdregel nee, tenzij en zijn consequenties de afgelopen veertig jaar weinig in de belangstelling. Daarentegen is de recente bijstelling van de inhoud van het dispositievereiste in BNB 2022/10 en de vermeende koerswijziging met instemming ontvangen. Deze actuele ontwikkeling onderstreept de noodzaak om de hoofdregel nee, tenzij en zijn onderbouwing kritisch tegen het licht te houden.