Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/4.3.2.1
4.3.2.1 Ontwikkelingen in de voorlichtingsjurisprudentie
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661304:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
HR 4 november 1953, nr. 11571, BNB 1953/308.
HR 20 oktober 1965, nr. 15 455, BNB 1966/3; HR 4 juni 1969, nr. 16 140, BNB 1969/214.
HR 14 oktober 1970, nr. 16 396, BNB 1971/3.
De hier behandelde kernarresten vormen de basis voor de casusposities in Deel III, paragraaf 6.2.1, 7.5.
HR 26 september 1979, nr. 19 250, BNB 1979/311 (autokosten) en de verwijzingszaak Hof ’s-Hertogenbosch 29 februari 1980, nr. 2320/1979, BNB 1981/95.
HR 9 maart 1988, nr. 24 199, BNB 1988/148. Happé duidt dit arrest in BNB 2000/330 aan als het standaardarrest inzake algemene voorlichting.
Volgens Happé 1996, p. 178 geldt dus niet 1+1 (voorlichting + inlichting) = 2 (binding op grond van het vertrouwensbeginsel), hoewel hij dat – mijns inziens terecht – opmerkelijk vindt, zeker als de medewerker van de Belastingdienst die de inlichting verstrekt tevens uitgaat van de juistheid van de voorlichting.
De belangrijkste, richtinggevende arresten, waarnaar in latere rechtspraak en in de literatuur wordt verwezen, betreffen HR 14 juni 2000, nr. 35275, BNB 2000/330; HR 16 mei 2008, nr. 42151, BNB 2008/200 (inzake foutieve informatie in het Handleiding loonheffingen), BNB 2010/314 en HR 24 september 2010, nr. 08/03543, BNB 2010/315; HR 29 januari 2021, nr. 20/01427, BNB 2021/76. Een variant betreft BNB 2002/45, inzake de (onjuiste) berekening bij het aangifteprogramma waarbij een voorbehoud was opgenomen (vgl. HR 11 november 2007, nr. 43084, BNB 2008/21) (paragraaf 4.3.5). Verder zie bijv. HR 26 juni 1985, nr. 22 712, BNB 1985/220 (formulier met onjuiste weergave van een regeling); HR 12 maart 1980, nr. 19573, BNB 1980/115 (informatie op de achterzijde van het aanslagbiljet); HR 29 juni 1994, nr. 29 913, BNB 1994/265 (inzake een brochure); HR 19 december 1990, nr. 25.957, BNB 1991/77 en het commentaar van Van Leijenhorst over inlichtingen, waaraan de inspecteur in casu werd gebonden); HR 25 mei 2012, nr. 11/02686, V-N 2012/40.1.3 (art. 81 RO, niet-bindende inlichtingen); HR 24 mei 2019, nr. 18/02440, V-N 2019/27.15 (art. 81 RO, vertrouwenwekkende standpuntbepaling); HR 13 september 2019, nr. 19/02151, (cassatieberoep niet ontvankelijk ex art. 8.41 lid 6 Awb); HR 25 april 2003, nr. 37 977, V-N 2003/25.3 (81 RO).
HR 14 juni 2000, nr. 35 275, BNB 2000/330.
Zie mijn commentaar in BNB 2022/10. Mijn bespreking van dit arrest in het onderzoek is gebaseerd op dit commentaar.
HR 5 november 2021, nr. 20/03173, BNB 2022/10, r.o. 4.2.3, eerste zin, waarin de Hoge Raad aangeeft aanleiding ziet zijn rechtspraak ‘op dit punt’ te herzien, wat terugslaat op zijn invulling van het dispositievereiste in r.o. 4.2.2. Zie andere commentaren van bijv. de redactie in V-N 2021/48.13; de redactie in FutD 2021/3395 en Van der Vegt in NTFR 2021/3783.
Eerst schets ik beknopt de belangrijkste arresten waarin de hoofdregel is neergelegd en bijbehorende ontwikkelingen.
Ontwikkelingen tot HR 26 september 1979, BNB 1979/311
Tegenwoordig acht de Hoge Raad honorering van door voorlichting gewekte verwachtingen niet principieel onmogelijk. Aanvankelijk was dat anders; de Hoge Raad zag géén ruimte om gewekt vertrouwen in rechte te beschermen (paragraaf 4.2.2). Zo besliste de Hoge Raad in de jaren ’50 dat ‘geen betekenis toekomt’ aan voorlichting die aan belastingplichtigen in het kader van de belastingheffing is verstrekt.1 In de jaren ‘60 oordeelde de Hoge Raad dat belastingplichtigen mogen verwachten dat de Belastingdienst zich houdt aan de toelichting bij het aangiftebiljet, al bleef een schending van die verwachtingen zonder gevolgen.2 Begin jaren 70 constateerde de Hoge Raad dat de heffende overheid (gemeente) in zijn circulaire een fout had gemaakt, maar zag de Hoge Raad bij een gebrek aan beleidsvrijheid voor de heffende overheid geen ruimte om daarom de aanslag te vernietigen.3 Vrij snel na de Doorbraakarresten uit 1978 kantelt (ook) ten aanzien van voorlichting de koers en laat de Hoge Raad het principiële uitgangspunt los dat voorlichting een juiste wetstoepassing niet opzij kan zetten
Standaardarresten: ‘voorlichtingsjurisprudentie’ sinds BNB 1979/311
Eind jaren 70en 80 wees de Hoge Raad zijn standaardarresten, die nog altijd de huidige koers bepalen. Tezamen met de latere arresten waarin deze koers wordt voortgezet, betreft dit – wat ik steeds noem – de ‘voorlichtingsjurisprudentie’.4 Ik geef een korte toelichting op de kernarresten.
Het eerste arrest betreft het standaardarrest HR 26 september 1979, BNB 1979/311, inzake door een ambtenaar van de Belastingdienst gedane mededelingen over de aftrekbaarheid van autokosten in verband met invaliditeit.5 In dit arrest greep de Hoge Raad de zaak aan om een breder juridisch kader te formuleren voor de toepassing van het vertrouwensbeginsel bij uitlatingen van de Belastingdienst, waarbij de Hoge Raad een onderscheid maakt tussen enerzijds in beginsel bindende toezeggingen en anderzijds in beginsel niet-bindende inlichtingen en voor beide categorieën een eigen rechtsregel formuleert. In het tweede standaardarrest van Hoge Raad 9 maart 1988, BNB 1988/148 ging het om een zaak waarin sprake was van een onjuistheid in de toelichting op het aangiftebiljet.6 Ten aanzien van de toepassing van het vertrouwensbeginsel past de Hoge Raad in dit arrest de in BNB 1979/311 voor inlichtingen geschetste rechtsregel toe op uitingen die niet als toezegging of inlichting zijn op te vatten, maar algemene voorlichting betreffen, zoals de toelichting. Algemene voorlichting is met dit arrest eveneens onder de categorie van in beginsel niet-bindende uitingen geschaard. In het derde standaardarrest HR 3 januari 1990, BNB 1990/148 ging het om uitlatingen in de toelichting bij het aangiftebiljet en telefonisch verstrekte mededelingen met betrekking tot de aftrekbaarheid van buitengewone lasten. De Hoge Raad past de voor inlichtingen en algemene voorlichting geformuleerde rechtsregel toe op uitlatingen waarin slechts algemene voorlichting wordt gegeven en telefonisch ingewonnen inlichtingen. Met dit arrest is duidelijk geworden dat de toepassing van het vertrouwensbeginsel bij algemene voorlichting en inlichtingen óók geldt voor een combinatie van beide uitingen.7
De koers uit de jaren 70, 80 en 90 is in latere arresten herhaald en bestendigd.8 In dit kader verdient specifiek vermelding het arrest HR 14 juni 2000, BNB 2000/330 waarin het gaat om door de bevoegde instantie verstrekte inlichtingen, in dit geval door een waterschap ten aanzien van verontreinigingsheffing.9 In de arresten van 24 september 2010, BNB 2010/314 en BNB 2010/315, gaat het om een formulier waarin algemene voorlichting wordt gegeven en een mededeling op het aanslagbiljet, beide aangemerkt als de categorie algemene voorlichting. Recenter heeft de Hoge Raad zijn vaste lijn bevestigd in het arrest HR 29 januari 2021, BNB 2021/76 ten aanzien van via de website en de BelastingTelefoon verstrekte informatie.
Herijking in HR 5 november 2021, BNB 2022/10: bijstelling invulling dispositievereiste
Nadat de Hoge Raad zijn koers decennialang ongewijzigd heeft gevolgd, verandert dit met het arrest van 5 november 2021, BNB 2022/10.10 In dit arrest herijkt de Hoge Raad zijn vaste rechtspraak ten aanzien van algemene voorlichting en inlichtingen. Dat leidt ertoe dat de Hoge Raad zijn rechtsregel aanpast op het punt van de invulling van één van de bij de rechtsregel geldende criteria, te weten het dispositievereiste (paragraaf 4.3.4). In zoverre is sprake van een belangrijk arrest.
Echter, anders dan in de commentaren wel lijkt te worden aangenomen, is van een algehele koerswijziging met dit arrest geen sprake.11 De rechtsregel blijft intact, de hoofdregel nee, tenzij evenals bijbehorende criteria blijven gehandhaafd. Wel betekent de bijstelling van de invulling van het dispositievereiste in zoverre een koersaanpassing, die de toepassingsreikwijdte van het vertrouwensbeginsel op dat punt verruimt. Desalniettemin blijft de beschermende werking van het vertrouwensbeginsel bij voorlichting relatief beperkt, zoals ik verderop toelicht (paragraaf 4.3.4). De Hoge Raad gooit het roer dus niet om, maar houdt in de kern vast aan de sinds 1979 ingezette jurisprudentielijn.