Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/1.8.6.5
1.8.6.5 Recht op het inbrengen van bewijsmateriaal
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 11 december 2008, appl.no. 6293/04 (Mirilashvili/Rusland), § 222-227. Enigszins verwant is EHRM 12 juli 2007, appl.no. 74613/01 (Jorgic/Duitsland), § 87-88. In deze zaak had de verdachte aan de nationale rechter verzocht om de plaats te bezoeken waar het delict zou zijn gepleegd. Als alternatief verzocht hij een topografische kaart van de plaats delict te laten maken, om aan de tonen dat de verklaringen van de getuigen niet waarheidsgetrouw waren. Dat weigerde de rechter. In dit geval meende het EHRM dat het recht op een eerlijk proces daardoor niet was geschonden. De rechter had een video van de plaats delict ter beschikking en de verdediging had de gelegenheid gekregen om de overtuigendheid van het bewijs in twijfel te trekken.
Voor de verdediging is het niet alleen van belang om kennis te nemen van het door het openbaar ministerie aangevoerde bewijsmateriaal en om dat te kunnen betwisten, maar ook om zelf materiaal te kunnen inbrengen als processtuk. Wanneer de rechter dat materiaal accepteert, kan dat een mogelijkheid voor de verdediging opleveren om de geloofwaardigheid van de getuige of de betrouwbaarheid van zijn verklaring te betwisten.
In de eerste plaats kan de verdediging trachten de rechter te overtuigen van de ongeloofwaardigheid van een getuige door informatie over die getuige te presenteren. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een aanvaring tussen de getuige en de verdachte in het verleden, op basis waarvan de getuige geneigd kan zijn geweest om de verdachte te beschuldigen. In de tweede plaats kan de verdediging proberen om de juistheid van de getuigenverklaring in twijfel te trekken. In de zaak Mirilashvili hadden verschillende getuigen belastende verklaringen afgelegd in Rusland. Nadat zij waren uitgeweken naar Georgië, trokken zij deze verklaringen echter in. Zij stelden dat zij onder druk waren gezet om de verdachte te belasten. De verdediging verzamelde ontlastende verklaringen van deze getuigen en verzocht de Russische rechter deze toe te laten als processtuk. Deze weigerde dat echter. Het ehrm overwoog dat als een verdachte besluit zich actief te verdedigen, hij de gelegenheid zou moeten krijgen om bewijsmateriaal te produceren onder dezelfde voorwaarden als het openbaar ministerie. Krijgt hij die gelegenheid niet, dan is het recht op equality of arms aangetast. In deze zaak was het door de verdediging aangevoerde bewijsmateriaal relevant en belangrijk, terwijl de drie getuigen sleutelgetuigen voor het openbaar ministerie waren. De verdediging wilde niet slechts ontlastend materiaal aanvoeren, maar ook de eerder afgelegde belastende verklaringen aanvechten aan de hand van de nieuw afgelegde verklaringen.1 In deze zaak hield het recht op het inbrengen van bewijsmateriaal daarom rechtstreeks verband met de uitoefening van het recht belastende getuigen te ondervragen. Het recht op het inbrengen van ontlastend materiaal is sterk verwant aan het recht ontlastende getuigen te ondervragen.