Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/1.8.6.8
1.8.6.8 Recht op gemotiveerde beslissingen
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Zie uitvoeriger daarover Roberts 2011 en Trechsel 2006, p. 102-110.
ECRM 16 april 1998, appl.no. 32110/96 (Pobozny/Slowakije): ‘The Commission considers that the reasons on which the courts based their above decisions are sufficient to exclude that the evaluation of the evidence in the applicant’s case had been arbitrary.’ Zie ook EHRM 5 februari 2007, appl.no. 64140/00 (dec.) (Rozhkov/Rusland), p. 33-34 en EHRM 31 augustus 1999, appl.no. 35253/97 (dec.) (Verdam/Nederland), p. 8.
Denkbaar is dan ook dat het EHRM hogere eisen zou stellen aan de motivering van de vaststelling van de schuld van de verdachte dan aan de motivering van de verwerping van een getuigenverzoek. Uit de jurisprudentie van het EHRM blijkt van zo’n onderscheid overigens niet. In ECRM 26 februari 1997, appl.no. 30059/96 (De Kok/Nederland) zag de ECRM geen probleem in het ontbreken van een motivering bij een arrest van de Hoge Raad. De Hoge Raad had de klacht in het cassatiemiddel verworpen onder verwijzing naar artikel 101a RO, het huidige artikel 81 RO.
EHRM (GC) 21 januari 1999, appl.no. 30544/96 (García Ruiz/Spanje), § 26. Zie ook EHRM 7 april 2009, appl.nos. 76800/01 & 76801/01 (dec.) (Český & Kotík/Tsjechië), p. 9.
EHRM 14 maart 2013, appl.no. 16133/08 (Insanov/Azerbeidzjan), § 162-163; EHRM 15 november 2012, appl.no. 19157/06 (Khayrov/Oekraïne), § 91.
Dikwijls komt het EHRM niet meer toe aan de beoordeling van een andere klacht onder artikel 6 EVRM wanneer het reeds een schending heeft vastgesteld van een artikel 6-recht. Zie bijvoorbeeld EHRM 28 juni 2011, appl.no. 20197/03 (Miminoshvili/Rusland), § 137. Zie over de motiveringsplicht uitvoeriger § 2.9 van hoofdstuk 5.
In EHRM 11 april 2013, appl.no. 20372/11 (Vyerentsov/Oekraïne), § 88 overwoog het EHRM dat door het negeren van een specifiek, relevant en belangrijk punt van de verdachte Oekraïne niet had voldaan aan zijn verplichtingen die voortvloeien uit artikel 6 lid 1 EVRM. Zie ook EHRM 21 april 2011, appl.no. 42310/04 (Nechiporuk & Yonkalo/ Oekraïne), § 280 en EHRM 12 juli 2007, appl.no. 503/05 (Kovač/Kroatië), § 31. In EHRM 26 juli 2011, appl.nos. 35485/05 e.a. (Huseyn e.a./Azerbeidzjan), § 213 stelde het EHRM een schending vast van zowel het ondervragingsrecht als het recht op een gemotiveerde beslissing, omdat de rechter zonder opgave van redenen was voorbijgegaan aan de goed onderbouwde bezwaren die de klagers hadden geuit tegen het gebruik van de (ingetrokken) getuigenverklaringen in kwestie.
EHRM 8 december 2009, appl.no. 44023/02 (Caka/Albanië), § 105.
EHRM 8 december 2009, appl.no. 44023/02 (Caka/Albanië), § 110.
Uit de tekst van het evrm blijkt geen recht op beslissingen op verzoeken en evenmin een recht op motivering van rechterlijke beslissingen. Uit de jurisprudentie van het ehrm blijkt dit recht echter wel.1 Het recht op een eerlijk proces impliceert dat geen willekeurige of onredelijke beslissingen worden genomen.2 In het arrest García Ruiz overwoog het ehrm hierover, onder verwijzing naar diverse oudere bronnen:
‘The Court reiterates that, according to its established case-law reflecting a principle linked to the proper administration of justice, judgments of courts and tribunals should adequately state the reasons on which they are based. The extent to which this duty to give reasons applies may vary according to the nature of the decision and must be determined in the light of the circumstances of the case (...).3 Although Article 6 § 1 obliges courts to give reasons for their decisions, it cannot be understood as requiring a detailed answer to every argument’.4
Ten aanzien van het ondervragingsrecht speelt het recht op een gemotiveerde beslissing meestal ten aanzien van de afwijzing van getuigenverzoeken. Wanneer de rechter zo’n afwijzing niet heeft gemotiveerd, zal al snel sprake zijn van twee geschonden rechten. Bij de vraag of het ondervragingsrecht is gerespecteerd, zal het ehrm onderzoeken of een goede reden heeft bestaan voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. Heeft de rechter zijn afwijzingsbeslissing niet gemotiveerd, dan zal die goede reden niet kunnen worden vastgesteld en zal reeds op die grond een schending van het ondervragingsrecht kunnen worden vastgesteld.5 Daarnaast zal het recht op een gemotiveerde beslissing zijn geschonden.6
Wanneer de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt heeft ingenomen met betrekking tot de gevolgen die de beperking van het ondervragingsrecht in zijn zaak zouden moeten hebben, is de rechter gehouden daarop gemotiveerd te reageren.7 Ook de keuze van de rechter om een getuigenverklaring voor het bewijs te gebruiken of juist niet aan zijn beslissing ten grondslag te leggen, kan een motivering vergen. In de zaak Caka overwoog het ehrm dat de keuze van de rechter om een bepaalde getuigenverklaring voor het bewijs te gebruiken wanneer deze verklaring tegenstrijdig is met andere verklaringen, moet worden gemotiveerd.8 Dit lijkt het ehrm te beschouwen als een ambtshalve verplichting. Het zonder opgave van redenen niet in het vonnis betrekken van vier ontlastende getuigenverklaringen stuitte eveneens op onbegrip bij het ehrm.9