Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/6.5.1
6.5.1 De mogelijkheid om tot ontbinding over te gaan
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS394945:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De Groot 1977, p. 649 en Mezas 1985, p. 10-11.
G. Stulz, Der Eigentumsvorbehalt im in- und ausländischen Recht, Berlin: Klokow 1930, p. 38, Chr. Meisner, Der Eigentumsvorbehalt, München: Schweitzer 1932, p. 45, voetnoot 1, Blomeyer 1968, p. 694, voetnoot 38 en Bülow 1999, p. 2197-2198. In die richting ook Neuschäffer 1935, p. 3520. Zie ook Mitlehner 2016, p. 16- 18, die – en in navolging van hem ook MünchKomm-InsO/Ganter 2013, § 47 InsO, Rn. 87 – die onderscheid maakt tussen een echter en unechter erweiterter Eigentumsvorbehalt. In het eerste geval worden andere vorderingen ‘in das Synallagma des Kaufvertrages’ betrokken, waardoor de verkoper ook na voldoening van de koopprijs de koopovereenkomst kan ontbinden. In het tweede geval zijn partijen slechts overeengekomen dat de voorbehouden eigendom na voldoening van de verschuldigde tegenprestatie dient tot zekerheid van de overige vorderingen. In een dergelijk geval kan de verkoper niet meer ontbinden, omdat de wederkerigheidsband niet is uitgebreid. Het verschil tussen beide benaderingen manifesteert zich met name in zijn aanspraken in faillissement. In het eerste geval heeft hij te gelden als ‘werkelijk’ eigenaar, zodat hij de zaak uit de boedel kan opvorderen (Aussonderungsrecht), terwijl zijn aanspraken in het tweede geval zijn beperkt tot het recht om met voorrang uit de opbrengst van de zaak te worden voldaan.
Zo ook – kennelijk in weerwil van de in de volgende paragraaf te behandelen Duitse heersende leer – Bülow 1999, p. 2197-2198 en Bülow 2012, p. 444: ‘Der Vorbehaltslieferant hat das Rücktrittsrecht aus § 449 BGB (…) auch dann, wenn der Vorbehaltskäufer solche anderen Forderungen nicht fristgerecht tilgt.’
Vgl. Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 551-552 die opmerkt dat bij geldigheid van het verbreed eigendomsvoorbehoud wel geconcludeerd zou moeten worden tot het bestaan van een ontbindingsbevoegdheid, omdat daarvoor dezelfde argumenten beslissend zijn als bij het eenvoudig eigendomsvoorbehoud, zoals de noodzaak van beëindiging van de gebruiksbevoegdheid van de koper. Vervolgens merkt hij echter op dat een dergelijke ontbinding niet zou kunnen bijdragen aan het doel van het verbreed eigendomsvoorbehoud (de voldoening van de overige vorderingen), hetgeen voor hem een extra argument is voor de ontoelaatbaarheid van het verbreed eigendomsvoorbehoud. Vgl. ook Frotz 1970, p. 202-203. Daarbij ziet hij evenwel over het hoofd dat de verkoper zijn restitutieschuld kan verrekenen met de overige vorderingen waarvoor de eigendom is voorbehouden, zodat hij alsnog de overige vorderingen waarvoor de eigendom is voorbehouden, voldaan kan krijgen.
Zie voor een rekenvoorbeeld hiervoor in hoofdstuk 2, paragraaf 2.11.
Gewoonlijk kan een partij bij een overeenkomst de desbetreffende overeenkomst slechts ontbinden, indien de wederpartij tekortschiet in de nakoming van de op haar rustende verplichtingen uit de koopovereenkomst. Bij een koopovereenkomst kan de verkoper de overeenkomst normaal gesproken dus slechts ontbinden indien de koper in gebreke blijft met de voldoening van de koopprijs. Ogenschijnlijk kan de verkoper de koopovereenkomst bij een verbreed eigendomsvoorbehoud dan ook niet meer ontbinden, indien de koper de verschuldigde koopprijs reeds volledig heeft gedaan. Van een tekortkoming in de nakoming van diens verplichtingen uit de koopovereenkomst lijkt immers geen sprake.
Om die reden is onder het oude recht wel aangenomen dat de verkoper de verkochte zaak in een zodanig geval overeenkomstig de regels die gelden voor pandrecht zou moeten executeren.1 De gedachte lijkt daarbij dat de voorbehouden eigendom na de voldoening van de koopprijs in feite een vorm van zekerheidseigendom is geworden, juist vanwege het feit dat de verkoper de koopovereenkomst niet meer kan ontbinden. Daardoor zou het eigendomsvoorbehoud nog slechts een zekerheidsfunctie vervullen ten aanzien van de overige vorderingen.
Deze benadering moet echter worden verworpen. Het verbreed eigendomsvoorbehoud moet juist worden begrepen als een partijafspraak die de verkoper de bevoegdheid geeft de koopovereenkomst ook te ontbinden, indien de koper in gebreke blijft met de voldoening van de andere vorderingen.2 De verruiming van de wederkerigheidsband door het verbreed eigendomsvoorbehoud houdt derhalve in dat de verkoper de koopovereenkomst ook kan ontbinden voor andere vorderingen dan de directe tegenprestatie.3 De partijafspraak die ten grondslag ligt aan het verbreed eigendomsvoorbehoud houdt daarmee in dat het niet voldoen van de overige vorderingen moet worden begrepen als een tekortkoming in de nakoming van de desbetreffende koopovereenkomst. Het staat partijen op grond van de in het verbintenissenrecht geldende partijautonomie vrij een zodanige uitbreiding van de ontbindingsbevoegdheid te creëren, door een verbondenheid te scheppen tussen de koopovereenkomst en de overige vorderingen. Uit artikel 3:92 lid 2 BW moet vervolgens worden afgeleid dat aan een dergelijke partijafspraak binnen de in dat artikellid gestelde grenzen ook goederenrechtelijke werking wordt verleend, in die zin dat het mogelijk is de eigendom ook voor te behouden voor die vorderingen.
De verkoper kan de koopovereenkomst derhalve ontbinden indien de koper in gebreke blijft met de voldoening van de overige vorderingen. Zoals hiervoor is uiteengezet, is een dergelijke ontbinding ook noodzakelijk, omdat de verkoper zich daardoor van zijn eigen verplichtingen bevrijdt en bovendien daardoor pas de rechten van de koper uit de koopovereenkomst beëindigt, hetgeen noodzakelijk is om überhaupt tot uitoefening van het eigendomsvoorbehoud over te gaan.4
Vanwege deze techniek van uitoefening van het verbreed eigendomsvoorbehoud is in hoofdstuk 2 al geconcludeerd dat de voorbehouden eigendom geen zekerheid biedt voor de voldoening van deze andere vorderingen, in die zin dat de waarde of opbrengst van de zaak kan worden benut om die vorderingen voldaan te krijgen. De zekerheid van het verbreed eigendomsvoorbehoud is gelegen in de omstandigheid dat de verkoper bij ontbinding van de koopovereenkomst zijn restitutieschuld ten aanzien van de reeds betaalde koopprijs kan verrekenen met de overige vorderingen waarvoor het eigendomsvoorbehoud is bedongen. Aldus is het niet zozeer de voorbehouden eigendom, maar de reeds betaalde koopprijs die zekerheid biedt voor de voldoening van deze overige vorderingen.5