Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/438
438 Gallin v. National City Bank: Rogers v. Hill uitgelegd
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS364165:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Washington 1941, p. 748.
De twee ondernemingen waren overigens ook op papier letterlijk met elkaar verbonden, in die zin dat men een aandeel in de National City Company drukte op de achterkant van een aandeel van de National City Bank. De reden dat de twee ondernemingen niet geheel geïntegreerd waren, was dat een bank geen effectenbank mocht drijven. Door deze constructie kon dat wettelijk verbod worden omzeild.
Charles Mitchell, hoofd van zowel National City Bank als National City Company, ontving bonussen van $1.156.230 (1927), $1.417.150 (1928) en $1.375.535 (1929). Charles Mitchell ontving blijkbaar ook nog een vast salaris, maar het bedrag daarvan wordt nergens vermeld. In 1921 tot en met 1924 kwam overigens de gehele bonuspot ten goede aan Mitchell. In de jaren 1925 tot en met 1927 moest hij de bonuspot delen met één andere bestuurder.
In 1932 begon de Senate Banking Committee onderzoek te doen en mensen te horen over de aanleiding van de beurskrach. Ferdinand Pecora was de raadsman van de commissie. Hoewel het onderzoek zich vooral richtte op marktmanipulatie, verzamelde de commissie ook gegevens over onder meer de bezoldiging van degenen die zij aan een overhoring onderwierpen. De ‘prize catch’ van de commissie was Charles Mitchell.
Wells 2010, p. 715.
Gallin v. National City Bank, 152 Misc. 679, 273 N.Y.S. 87, June 15 (1934), 703, 113. Tevens werd gezegd dat de bonussen verkeerd berekend waren (zie 119).
Een theorie die overigens pas tientallen jaren later vorm zou krijgen. Zie voor de ‘uitvinders’ van deze theorie: Lazear & Rosen 1981, p. 841-864.
Zie voor het citaat Washington 1941, p. 749. Uit zijn verdere getuigenis blijkt dat de tournament theorie niet geheel consistent wordt toegepast. Geen van de overige werknemers weet hoeveel hij of de andere bestuurders ontvangen en ook bestuurders onderling weten niet hoeveel een ieder jaarlijks op zijn rekening mag bijschrijven.
Washington 1941, p. 749.
Mitchell verwoordt hier helder het standpunt dat de bezoldiging van bestuurders beschermd dient te worden tegen gebeurtenissen die buiten de invloedssfeer van de bestuurder ligt.
Om verwarring te voorkomen dient opgemerkt te worden dat de New York Supreme Court niet de hoogste rechter is in New York (dit is de Court of Appeals), maar vergelijkbaar is met de rechtbank, zoals wij die kennen in Nederland.
Gallin v. National City Bank, 152 Misc. 679, 273 N.Y.S. 87, June 15 (1934), 706, 116.
Deze verwachtingen waren voornamelijk geschapen door rechter Swan die in zijn dissenting opinion schrijft dat de bezoldiging dusdanig groot was, dat er ‘prima facie’ gesproken kan worden van ‘waste’ en het feit dat rechter Butler goedkeurend verwijst naar de opinie van Swan.
Gallin v. National City Bank, 152 Misc. 679, 273 N.Y.S. 87, June 15 (1934), 706, 117.
Gallin v. National City Bank, 152 Misc. 679, 273 N.Y.S. 87, June 15 (1934), 707, 117. “In determining whether salaries are excessive and unreasonable so that there should be a restoration, courts proceed with some caution. An intolerable condition might result if the courts should too lightly undertake the fixing of salaries at the suit of dissatisfied stockholders. An issue as to the reasonable value of the services of officers is easily made. It is not intended that courts shall be called upon to make a yearly audit and adjust salaries.”
Gallin v. National City Bank, 152 Misc. 679, 273 N.Y.S. 87, June 15 (1934), 707, 117 (onder verwijzing naar Seitz v. Union Brass & Metal Mfg. Co., 189 N.W. 586, 588 (Minn. 1922)).
“The rule is established that directors of a corporation acting as a body in good faith have a right to fix compensation of executive officers for services rendered to the corporation, and that ordinarily their decision as to the amount of compensation is final, except where the circumstances show oppression, fraud, abuse, bad faith or other breach of trust [....]. If clear oppression, bad faith or other breach of trust is shown, the courts will give redress and determine to what extent the compensation is excessive. But plaintiffs must bring the case within one of the exceptions that are in each case predicated on a breach of legal duty with consequent damage to the corporation.” Gallin v. National City Bank, 152 Misc. 679, 273 N.Y.S. 87, June 15 (1934), 706, 117.
Aan de verwarring die was ontstaan na Rogers v. Hill wordt deels een einde gemaakt in een rechtszaak die niet snel daarna zou volgen: Gallin v. National City. In deze zaak staat de zwaar bekritiseerde bonusregeling van Charles E. Mitchell van National City Bank en effectenbank National City Company centraal.
De bezoldiging van bestuurders bij National City Bank wordt vastgesteld op basis van een bepaling die de board of directors heeft aangenomen in 1923 en die nooit ter goedkeuring is voorgelegd aan de algemene vergadering. Deze bepaling houdt in dat 8% van de jaarwinst van National City Bank opzij wordt gezet, exclusief ten behoeve van de aandeelhouders. Van de overgebleven winst komt 20% ten goede aan de bestuurders van de bank. Eenzelfde regeling is in 1921 ingesteld ten aanzien van National City Company.1 De verdeling van de bonuspot geschiedt ieder jaar door de directors, zonder enige expliciete bekendmaking aan de aandeelhouders. De bestuurders van National City Bank en National City Company – op papier twee ondernemingen, maar in werkelijkheid onlosmakelijk met elkaar verbonden – ontvangen op basis van deze regeling jaarlijks enorme bonussen.2 Hoofdrolspeler in de ‘bonusbonanza’ is Charles Mitchell, die zich in de jaren 1927-1929 meer dan een derde van de bonuspot toeëigent en daardoor zijn jaarlijks inkomen ruim boven de (toen voor velen nog onvoorstelbare) grens van $1 miljoen per jaar ziet uitkomen.3
Details van de bedragen die uitgekeerd worden aan bestuurders van National City worden pas bekend aan de aandeelhouders door de ‘Pecora-hearings’.4 De bedragen die naar Charles Mitchell zijn gegaan, zorgen ook hier voor verbijstering en woede. Die worden niet minder wanneer uit het onderzoek van Ferdinand Pecora tevens naar voren komt dat Mitchell zich schuldig heeft gemaakt aan handelen met voorkennis en belastingontduiking.5
Een aantal aandeelhouders gaat achter de niet-uitvoerende bestuurders aan die de wijze van toekenning van de bonussen hebben toegestaan en uitgevoerd, evenals achter de uitvoerende bestuurders die de bonussen hebben ontvangen. De primaire vordering in Gallin v. National City Bank is helder: de directors hebben hun fiduciaire verplichtingen geschonden, in het bijzonder “in approving […] and allowing compensation that is claimed to be so excessive as to be a misuse or waste of corporate assets.”6 Op 22 maart 1933 begint de rechtszaak. Charles Mitchell neemt als bestuursvoorzitter het woord en verdedigt het bonusplan. Volgens hem heeft het bonusplan een gunstig effect op de moraal binnen de bank. De hoge variabele bezoldiging is nodig om werknemers te motiveren:
“Unless the man of energy and perhaps ability can see within the organization for which he is working a point that he can possibly reach that has great material benefit attached to it, I say unless he can see that, that his work is going to be less effective, that his endeavor is going to be somewhat dulled…”
Mitchell rechtvaardigt zijn bonussen met argumenten ontleent aan de ‘tournament’ theorie.7 Omdat de bestuursvoorzitter een hoge bezoldiging krijgt, wil iedereen de ‘prijs’ – lees: het bestuurdersvoorzitterschap – bemachtigen. Hierdoor wordt iedereen binnen de onderneming optimaal gemotiveerd zijn best te doen, om zodoende kans te maken op de hoogste functie binnen het bedrijf.
“That entire organization was spurred to endeavor by a general knowledge that pervaded the institution that I was receiving a very substantial compensation...”8
Tijdens de hoorzitting komt verder naar voren dat de cijfers zo nu en dan worden aangepast ten faveure van de bonuspot van de bestuurders. Zo worden enorme verliezen op Cubaanse sigaren niet meegenomen bij de berekening van de bonussen. Mitchell verdedigt deze werkwijze. In het specifieke geval van de Cubaanse sigaren is aanpassing volgens hem gerechtvaardigd, omdat de verliezen buiten de macht van de bestuurders liggen.
“the officers were not responsible for that investment and were not in a position, as a group, to save those loans.”9
Bestuurders hebben dus recht op een deel van de gemaakte winst (ongeacht hun directe bijdrage), maar hoeven geen vermindering van hun winstdeel te accepteren, vanwege mislukte projecten waar zij geen (directe) invloed over uitoefenen.10 De afhankelijkheid van de winstuitkering van het algehele resultaat van de onderneming werd door deze bestuurders dus losgelaten in het geval de winst tegenviel ‘buiten hun schuld’.
Ondanks bovenstaande verweren besluit de New York Supreme Court, dat een uitgebreid onderzoek naar de bezoldigingspraktijken ingesteld dient te worden.11 Rechter Dore verwijst daarbij naar de doctrine zoals uiteengezet in Rogers v. Hill. De daarin neergelegde regel houdt volgens Dore in, dat van een rechtbank verwacht mag worden dat een onderzoek wordt ingesteld om vast te stellen of de in het geding zijnde bezoldiging aangemerkt kan worden als een verspilling van goederen van de vennootschap, en indien ja, in hoeverre. In de onderhavige casus acht de rechtbank een dergelijk onderzoek gerechtvaardigd. De bezoldiging:
“paid to a few of the officers at the top in the bank and the company are so large that without holding, before complete investigation, that they give rise to any inference or actual or constructive fraud or other breach of duty, I rule that they do warrant a full investigation by this court of equity in the interest of the corporation and objecting stockholders to determine whether there was in fact a deliberate or actionably negligent waste of corporate assets and, if so, to what extent.”12
Volgens rechter Dore is de bezoldiging van dusdanige omvang, dat er redenen kunnen zijn om aan te nemen dat er sprake is van fraude of een ander handelen door de directors in strijd met hun fiduciaire verplichtingen. De bezoldiging komt derhalve ook in onderhavige casus niet onder de bescherming van de business judgment rule te vallen.
De rechtbank wil wel de verwachtingen die zijn geschapen door Rogers v. Hill temperen, namelijk dat de bezoldiging op grond van haar omvang als ‘waste’ zou zijn aan te merken.13 Bij het bepalen of de bezoldiging aangemerkt kan worden als een verspilling van goederen van de onderneming geldt volgens de rechtbank dezelfde maatstaf als bij ieder ander geval waarbij de vraag speelt of directors hun fiduciaire verplichtingen geschonden hebben. Er moet dus minimaal sprake zijn van een vorm van fraude, misbruik, kwade trouw of een andere ‘breach of trust’:
“The ruling in the Rogers case did not intend to set aside these perfectly well-settled rules of law; it merely directed an inquiry to determine if they had been breached, and, if so, to what extent in damages. The inquiry is not merely to substitute the court’s discretion for the discretion of the directors, if that has been honestly and fairly exercised.”14
De rechtbank maakt eveneens korte metten met de door Rogers v. Hill mogelijk gewekte verwachting dat bezoldigingspakketten in het vervolg (jaarlijks) door rechters geanalyseerd en beoordeeld zullen worden en dat directors bij een ingestelde vordering moeten aantonen dat de bezoldiging eerlijk en redelijk is. Rechter Dore benadrukt dat rechters in beginsel terughoudendheid dienen te betrachten bij het bepalen of salarissen excessief en onredelijk zijn en derhalve aanpassing verdienen. Het zou onwenselijk zijn wanneer rechtbanken te licht de bezoldiging van bestuurders aan zouden passen op vordering van ontevreden aandeelhouders. Een dispuut over de redelijke waarde van de diensten van de bestuurders is immers snel ontstaan.15 Ontevreden aandeelhouders dienen derhalve bij de rechtbank aan te komen met bewijs van ‘wrongdoing or oppression’ en dienen meer te hebben dan een vordering “based on mere differences of opinion upon the question whether equal services could have been procured for somewhat less.”16
Dore verwijst hierbij goedkeurend naar Matthews v. Headley Chocolate Company, waarin ook de beoordeling van de excessieve bezoldiging van de bestuurders werd geëist. In die rechtszaak overweegt de rechtbank: “The Court would not be authorized to substitute its judgment for theirs (directors) as to what are proper salaries, provided they acted in good faith within their powers, and the salaries fixed by them were not clearly excessive.”
Zolang de bezoldiging niet overduidelijk excessief is en directors binnen hun bevoegdheden te goeder trouw gehandeld hebben, dient de rechter zich te onthouden van inmenging in de zaken van de onderneming. Rogers v. Hill heeft geen wijziging van deze regel teweeg gebracht.17