Einde inhoudsopgave
Instellingen voor collectieve belegging in effecten (O&R nr. 119) 2020/4.6.3.4
4.6.3.4 Bijzondere typen icbe’s
mr. drs. J.E. de Klerk, datum 01-02-2020
- Datum
01-02-2020
- Auteur
mr. drs. J.E. de Klerk
- JCDI
JCDI:ADS193531:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 31 lid 1 Icbe-Verordening 583/2010.
Art. 31 lid 2 Icbe-Verordening 583/2010.
Overweging 15 Icbe-Verordening 583/2010.
Art. 33 Icbe-Verordening 583/2010.
Hierop zijn nog twee uitzonderingen van toepassing. Zie art. 35 lid 2 sub b en c Icbe-Verordening 583/2010.
Volgens art. 34 lid 2 Icbe-Verordening 583/2010 moet ook worden vermeld of er een vergoeding dient te worden betaald voor de documenten van de master-icbe. Volgens art. 63 lid 5 Icbe-Richtlijn is het niet toegestaan om kosten in rekening te brengen voor het prospectus en(half)jaarverslagen. Uitsluitend voor overige periodieke verslagen kunnen vergoedingen in rekening worden gebracht.
Afdeling 4 van hoofdstuk 4 Icbe-Verordening 583/2010.
CESR doet dit eveneens in haar richtsnoeren inzake lopende kosten (CESR/10-674), al verwijst CESR abusievelijk naar art. 50 lid 3.
Overweging 14 Icbe-Verordening 583/2010.
Art. 30 Icbe-Verordening 583/2010.
CESR/10-674.
De ebi’s van feeder-icbe’s en dakfondsconstructies dienen aan enkele aanvullende of afwijkende bepalingen te voldoen.
Voor feeder-icbe’s zijn aanvullende bepalingen opgenomen ten aanzien van de inhoud van de ebi. In de afdeling ‘Doelstellingen en beleggingsbeleid’ moet de feeder-icbe opnemen hoeveel procent van de activa zij belegt in de master-icbe.1 Daarnaast dient de feeder-icbe in te gaan op het beleggingsbeleid van de master-icbe en moet worden aangegeven dat de rendementen zeer vergelijkbaar zullen zijn met de rendementen van de master-icbe.2 Indien dat niet het geval is, moet een toelichting worden opgenomen waarom dat niet zo is. In de afdeling ‘Risico- en opbrengstprofiel’ moet eveneens worden toegelicht op welke punten en waarom de risico’s voor de feeder-icbe afwijken van die van de master-icbe. Voor de rest dient het risicoprofiel van de master-icbe overgenomen te worden.3 Ook de verhouding tussen de aankoop- en terugbetalingsregelingen voor de master- en feeder-icbe moet worden toegelicht, inclusief de mogelijke gevolgen voor de liquiditeit. In de afdeling ‘Kosten’ moet de feeder-icbe ook de kosten meerekenen van de master-icbe.4 De lopende kosten van de master- en feeder-icbe dienen samengevoegd te worden. Bij de afdeling ‘In het verleden behaalde resultaten’, moeten de resultaten van de feeder-icbe worden getoond en niet die van de master-icbe, tenzij de rendementen van de master-icbe de benchmark zijn voor de feeder-icbe.5 Bij de praktische informatie moet worden vermeld dat het prospectus, de ebi, het (half)jaarverslag en de periodieke verslagen van de master-icbe ook beschikbaar zijn voor deelnemers in de feeder-icbe, in welke vorm deze verslagen beschikbaar zijn en in welke taal.6 Indien de master-icbe in een andere lidstaat is gevestigd dan de feeder-icbe en dit consequenties kan hebben voor de fiscale behandeling van de feeder-icbe, wordt dit eveneens vermeld.7
Voor dakfondsconstructies, ofwel voor icbe’s die ‘in aanzienlijke mate’ beleggen in andere beleggingsinstellingen, gelden ook enkele afwijkende regels. Alhoewel ‘aanzienlijk’ niet gedefinieerd is, lijkt het voor de hand te liggen aan te sluiten bij artikel 55 lid 3 tweede alinea icbe-Richtlijn.8 De Europese regelgever stelt hier dat als een aanmerkelijk deel van de activa wordt belegd in beleggingsinstellingen, de maximale beheerprovisies van de onderliggende beleggingen opgenomen moeten worden in het prospectus. Alhoewel ook hier geen percentages zijn opgenomen, kan wel gesteld worden dat als een icbe deze percentages op grond van deze bepaling in haar prospectus opneemt, zij als dakfondsconstructie wordt gezien.
Het is hierbij de bedoeling dat het juiste evenwicht wordt bewaard tussen de informatie over de icbe en de beleggingsinstellingen waarin de icbe belegt. Er moet niet te veel worden geïnformeerd over de onderliggende beleggingsinstellingen, dan wordt de informatie onbegrijpelijk voor deelnemers, maar er wel afdoende worden geïnformeerd, zodat deelnemers zich een juist beeld kunnen vormen.9 De icbe moet bij de afdeling ‘Doelstellingen en beleggingsbeleid’ opnemen hoe de selectie van de beleggingsinstellingen plaatsvindt. Er hoeft dus geen uitgebreide informatie over de beleggingsinstellingen zelf te worden opgenomen. Bij de risico’s moeten de risico’s van de onderliggende beleggingsinstellingen wel worden meegenomen maar uitsluitend voor zover deze risico’s voor de icbe als geheel van wezenlijk belang zijn. De kosten van alle onderliggende beleggingsinstellingen moeten worden meegenomen in de lopende kostenberekening van de icbe.10 CESR heeft in richtsnoeren opgenomen welke kosten exact moeten worden meegenomen.11