Instellingen voor collectieve belegging in effecten
Einde inhoudsopgave
Instellingen voor collectieve belegging in effecten (O&R nr. 119) 2020/4.6.7:4.6.7 Conclusie transparantievereisten
Instellingen voor collectieve belegging in effecten (O&R nr. 119) 2020/4.6.7
4.6.7 Conclusie transparantievereisten
Documentgegevens:
mr. drs. J.E. de Klerk, datum 01-02-2020
- Datum
01-02-2020
- Auteur
mr. drs. J.E. de Klerk
- JCDI
JCDI:ADS193766:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De verplichtingen zijn opgenomen in hoofdstuk 3 en bijlagen Prospectusverordening en Gedelegeerde Prospectusverordening. Zie ook Raas (2019).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De transparantieverplichtingen voor icbe’s zijn omvangrijk. Transparantie is een belangrijke pijler ten aanzien van beleggersbescherming onder de icbe-regelgeving. De beleggingsmogelijkheden zijn in de loop van de tijd steeds verder uitgebreid met als voorwaarde dat icbe’s hier transparant over zijn. Omvangrijke transparantieverplichtingen zijn daarom goed te plaatsen. Het gehanteerde systeem met de uitgebreide vereisten in het prospectus, de kerninformatie in de ebi en de periodieke verantwoording in het (half)jaarverslag is sluitend. Een aandachtspunt is wel de vindbaarheid van alle vereisten. De vereisten voor de ebi, het prospectus en de (half)jaarverslagen zijn verspreid over de Icbe-Richtlijn, Icbe-Verordening 583/2010, nationaal recht en ESMA- en CESR-richtsnoeren. Het vinden van alle vereisten is daarom een waar zoekplaatje.
De verplichtingen voor de ebi zijn het sterkst geharmoniseerd. Dit is een duidelijke verbetering ten opzichte van het vereenvoudigde prospectus. Naast de vijf artikelen over de ebi in de Icbe-Richtlijn, is er een Verordening inzake ebi’s van 15 pagina’s en zijn er vijf CESR-richtsnoeren opgesteld van samen meer dan 50 pagina’s, plus een Q&A. Al deze bepalingen hebben betrekking op een document van slechts twee of drie A4’tjes. Alhoewel kwantiteit geen garantie is voor uniforme bepalingen, helpt de keuze voor een Verordening en voor richtsnoeren die geen omzetting naar nationaal recht behoeven. Een aandachtspunt zijn de CESR-richtsnoeren. Deze zijn nog niet omgezet in technische uitvoeringsnormen van ESMA en zodoende ook nog niet bevestigd door de Europese Commissie. Dit dient nog te gebeuren.
Of de vereisten ook efficiënt zijn, is niet eenvoudig vast te stellen. Wel kan geconcludeerd worden dat het ambitieniveau voor de ebi dermate hoog is, dat men zich kan afvragen in hoeverre deze ambitie realistisch is. De toegestane beleggingstechnieken zijn dermate complex dat deze niet altijd in twee of drie A4’tjes in niet-technische bewoordingen zijn uit te leggen. Ook de inhoud van de ebi voldoet kennelijk nog niet daar het informatiedocument, de eid, dat onder PRIIPS gepubliceerd dient te worden op nagenoeg alle punten afwijkt van de ebi. Er is meer onderzoek naar de toegevoegde waarde van deze documenten noodzakelijk alvorens nieuwe verplichtingen opgelegd worden.
De vereisten ten aanzien van het prospectus en het (half)jaarverslag zijn minder gedetailleerd. De regelgever heeft wel een lijst opgesteld met onderwerpen die in het prospectus en het (half)jaarverslag moeten worden opgenomen. Daarnaast zijn in ESMA-richtsnoeren enkele vereisten opgenomen voor specifieke icbe’s. Wat opvalt, is dat de vereisten minder gedetailleerd zijn dan de vereisten onder de Prospectusverordening.1 Onder beide regimes kunnen de financiële instrumenten grensoverschrijdend verkocht worden. Een reden hiervoor kan zijn dat voor icbe’s niet alleen een prospectus is vereist maar ook een vergunning. De kwaliteit van de icbe’s wordt door deze vergunningverlening geborgd. Gedetailleerder eisen zijn daarom niet nodig. De ebi zal voor veel niet-professionele beleggers de voornaamste informatiebron zijn. Om deze goed te kunnen vergelijken is vergaande harmonisatie wenselijk. Voor het prospectus speelt dat minder.
Een aandachtspunt voor het prospectus is de goedkeuring ervan door de toezichthouder. Prospectussen van icbe’s hoeven niet goedgekeurd te worden toezichthouders. Dit is wederom in tegenstelling tot prospectussen onder de Prospectusverordening.2 Diverse toezichthouders hebben wel gekozen voor een goedkeuringsplicht. Deze valt veelal samen met de vergunningverlening aan de icbe. Dit is ook wenselijk omdat de toezichthouder dan direct kan controleren of de voorwaarden die aan de vergunning zijn gesteld ook juist in het prospectus terecht zijn gekomen. Goedkeuring ervan kan het vertrouwen en daarmee de grensoverschrijdende handel nog verder bevorderen. Op dit onderwerp valt aan uniformiteit te winnen in de regelgeving.
Tot slot is marketing een nationale aangelegenheid. De eisen hieromtrent zijn dus in het geheel niet uniform. Lidstaten zijn vrij om zelf te kiezen in hoeverre zij beleggers op dit gebied beschermen. Voor marktpartijen is dit inefficiënt daar zij in elke lidstaat de toepasselijke regels moeten nagaan. Desalniettemin stelt ESMA steeds meer eisen aan marketingmaterialen.
Alhoewel uniforme regels hieromtrent wenselijk zijn, is dit wat mij betreft geen goede ontwikkeling omdat het een expliciete keuze is geweest om dit onderwerp op nationaal niveau te regelen. Het staat ESMA niet vrij om daarvan af te wijken.