Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/16.5.3.3
16.5.3.3 Geen doorwerking van het voor de omkering relevante verwijt
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940522:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 16.5.2 en paragraaf 16.3.2.
Zie paragraaf 7.4.4.2.3.
HR 8 april 2022, BNB 2022/68, V-N 2022/17.10, r.o. 3.4.3-3.4.5, HR 22 juni 2012, V-N 2012/42.19, FED 2012/86, r.o. 4.3.2. Zie voorts HR 13 oktober 2023, V-N 2023/47.17, r.o. 3.3.2 en r.o. 5.17 van de Hofuitspraak.
Vgl. in dit verband Hof Amsterdam 9 februari 2017, V-N 2017/21.6, r.o. 5.5.2. Het Hof overwoog in het kader van de omkering dat niet de vereiste aangifte was gedaan vanwege aanzienlijke inhoudelijke fouten. De daarvoor vereiste bewustheid was volgens het Hof aanwezig (in de vorm van wetenschap). Uit het slot van de betreffende rechtsoverweging lijkt te volgen dat het Hof daarmee ook het beboetbare feit van art. 67d AWR bewezen zou hebben geacht (het opzettelijk doen van een onjuiste aangifte). Dat is opvallend, aangezien slechts verzuimboetes opgelegd, terwijl een vergrijpboete ex art. 67d AWR bovendien niet mogelijk was omdat het een aangiftebelasting betrof. Ook vanuit de optiek van de trigger voor de omkering zelf is de rechtsoverweging overigens niet zuiver: vast stond namelijk dat de inhoudingsplichtige in het geheel geen aangifte had gedaan.
Zie de Hofuitspraak die heeft geleid tot HR 8 april 2022, BNB 2022/68, V-N 2022/17.10 (zie r.o. 3.4.1 e.v.).
Zie ook HR 15 oktober 2010, BNB 2011/9, r.o. 3.3. De trigger voor de omkering werd in deze casus gevormd door de schending van de administratieverplichting, op basis waarvan het Hof had geoordeeld dat een aanzienlijk deel van de omzet en de winst niet in de aangifte was verantwoord. Daarmee kon het element van het kale beboetbare feit worden ingevuld (zie daarover ook paragraaf 16.5.3.2). Het verwijzingshof kwam evenwel tot het oordeel dat de inspecteur niet aan de afzonderlijke bewijslast voor wat betreft de opzet had voldaan, zie Hof ’s-Gravenhage 13 mei 2011, NTFR 2011/2813.
Zie paragraaf 13.3.3.2 en paragraaf 13.3.5.1.1.
HR 22 juni 2012, V-N 2012/42.19, FED 2012/86, r.o. 4.3.1. Zie paragraaf 9.3.4.5.
Zie paragraaf 9.3.4.5.
Uit het voorgaande is duidelijk geworden dat het wettelijke verbod op doorwerking van de omkering naar de vergrijpboete volgens de Hoge Raad ziet op de schuldgradatie en het kale beboetbare feit.1 Voor wat betreft de schuldgradatie heeft de Hoge Raad dit verbod nader uitgewerkt ten aanzien van de categorie I-trigger die ziet op het niet doen van de vereiste aangifte wegens aanzienlijke inhoudelijke fouten. Voor de aanwezigheid van die trigger is een zekere verwijtbaarheid vereist: de inspecteur moet ten minste een geobjectiveerde bewustheid bij de belastingplichtige bewijzen.2 Als de inspecteur die bewustheid in de sfeer van de heffing inderdaad heeft bewezen, zou de gedachte kunnen opkomen dat hij daarmee ook de in de sfeer van de boete vereiste schuldgradatie heeft bewezen.
De Hoge Raad heeft echter uitdrukkelijk overwogen dat bij de beoordeling van de verwijtbaarheid in het kader van de toepasselijkheid van de omkering een geheel andere maatstaf geldt dan bij de beoordeling van de schuldgradatie in het kader van de beboeting, in ieder geval als het gaat om opzet.3 De voor het bewijs van opzet vereiste subjectieve bewustheid is van een andere orde dan de (minimaal) voor de omkering vereiste geobjectiveerde bewustheid (‘had moeten’). Dat de belastingplichtige een voldoende ernstig verwijt treft om te kunnen spreken van het niet doen van de vereiste aangifte, betekent dus nog niet dat er ook opzet aanwezig is geweest.4 De inspecteur (of de rechter5) zal de voor de boete benodigde schuldgradatie afzonderlijk moeten stellen en onderbouwen. Naar mijn mening geldt het voorgaande evenzeer voor de schuldgradatie grove schuld: weliswaar impliceert de geobjectiveerde bewustheid een culpoos verwijt (‘had kunnen’ of ‘had moeten’), maar daarmee is nog niet gezegd dat het verwijt ook voldoende ernstig is om te kunnen spreken van grove schuld. Het voorgaande geldt a fortiori voor categorie II-triggers: veelal zal het bewijs van dergelijke triggers niet of nauwelijks iets zeggen over de verwijtbaarheid ten aanzien van het begaan van het beboetbare feit.6
Zelfs als de geobjectiveerde bewustheid inhoudelijk zou samenvallen met opzet of grove schuld, is de inspecteur er nog niet. De inspecteur moet de aanwezigheid van opzet of grove schuld in de boetesfeer immers ‘beyond reasonable doubt’ bewijzen.7 Als de inspecteur de geobjectiveerde bewustheid in de sfeer van de heffing slechts aannemelijk heeft gemaakt, is dat dus (hoe dan ook) onvoldoende in de sfeer van de boete.
In dit verband kan ten slotte nog worden gewezen op gevallen waarin de trigger voor de omkering is onderbouwd aan de hand van gedragingen van een derde. Op zichzelf is de toerekening van bijvoorbeeld de geobjectiveerde bewustheid van een derde in de sfeer van de heffing toegestaan.8 Wanneer de trigger vervolgens als uitgangspunt wordt genomen voor het bewijs van de schuldgradatie (als element van het beboetbare feit), zou er in de sfeer van de boete een verboden toerekening van verwijtbaarheid plaatsvinden.9 De inspecteur moet te allen tijde de aanwezigheid van de vereiste verwijtbaarheid bij de boeteling zelf bewijzen.