Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/16.5.3.1
16.5.3.1 De grondslag als element van de delictsomschrijving
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940435:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 18 januari 2008, V-N 2008/6.4, BNB 2008/165, NTFR 2008/157, r.o. 3.6.5-3.6.6.
Zie in dit kader ook paragraaf 14.4.4.3.3.
Het object van de schuldgradatie wordt daar immers gedefinieerd, terwijl het eerste lid alleen het strafmaximum bevat, zie daaromtrent nader paragraaf 9.3.3.3.1.
Zie paragraaf 16.4.2 voor de concrete gevolgen daarvan. Voor een voorbeeld waarin in ieder geval sporen van deze opvatting zijn terug te vinden, zie Rb Den Haag 24 november 2016, V-N 2017/7.5, r.o. 25 en 30. De inspecteur nam in die zaak het standpunt in dat de onder omkering bepaalde heffing, louter in de hoedanigheid van boetegrondslag, moest worden verlaagd met een bedrag aan kosten.
Zie paragraaf 13.3.5.1.2.
Dat stemt dus overeen met hetgeen ik heb verdedigd in het kader van de grondslagkoppeling.
Uit zijn cassatieberoepschrift tegen Hof Amsterdam 5 januari 2009 (kenbaar uit HR 15 oktober 2010, BNB 2011/9), onderdeel 2.1.
Noot bij HR 18 januari 2008, BNB 2008/165 (punt 3 (vi)).
Koopman 1996, p. 190 beschouwt de omvang van de heffing via het causale verband echter niet als afzonderlijk bestanddeel van de delictsomschrijving, maar als nauw verbonden met de schuldgradatie zelf.
Koopman 1996, p. 213.
Møller 2008, par. 5.
Conclusie voor HR 15 maart 2013, V-N 2013/16.4, BNB 2013/140, FED 2013/44, par. 8.28-8.29.
Wijsman 2017, p. 378.
Haas in zijn noot bij HR 8 april 2022, BNB 2022/68 (punt 1), de Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekeningen bij HR 3 februari 2023, V-N 2023/8.13 en bij Hof Amsterdam 27 oktober 2022, V-N 2023/11.22.
In paragraaf 9.3.3.3.1 ben ik reeds uitgebreid ingegaan op de grondslagkoppeling. De kern van mijn betoog was dat de wetgevingstechniek van de boetebepalingen meebrengt dat de omvang van de heffing (in de hoedanigheid van boetegrondslag) een volwaardig onderdeel van de delictsomschrijving is. Door de grondslagkoppeling en het causale verband tussen de schuldgradatie en het kale beboetbare feit uit de delictsomschrijving, vormt de boetegrondslag het object van de vereiste opzet of grove schuld (‘voor zover’). De Hoge Raad denkt daar dus fundamenteel anders over, hetgeen duidelijk blijkt uit zijn overwegingen in BNB 2008/165 dat de hoogte van de verschuldigde belasting als zodanig niet een element is van de vergrijpen van de artikelen 67d tot en met 67f van de AWR.1 De Hoge Raad maakte in dat arrest een principieel onderscheid tussen het begaan van het kale beboetbare feit (dát er te weinig is geheven) enerzijds en de strafmaat anderzijds. De rechtstreekse doorwerking van de heffing naar de boetegrondslag is toegestaan omdat die doorwerking in de ogen van de Hoge Raad een strafmaatkwestie betreft. Dat betekent dat er in wezen sprake is van een variant op het beginsel van de formele rechtskracht.2 Of en in hoeverre de heffing in materiële zin juist is, doet niet terzake: de voor wat betreft de boete(grondslag) juridisch juiste heffing is de in de sfeer van de heffing vastgestelde belasting.
De overwegingen van de Hoge Raad kunnen alleen als juist worden aanvaard, als louter wordt gekeken naar de letterlijke tekst van de delictsomschrijvingen van het eerste lid van de genoemde artikelen. Naar mijn mening kan die tekst echter niet los worden gezien van het tweede lid van die artikelen.3 De inspecteur zal daarom ook de omvang van de heffing – in de hoedanigheid van boetegrondslag – afzonderlijk moeten bewijzen, overeenkomstig de bewijsregels zoals die binnen de boetesfeer gelden,4 en wel naar de bewijsgradatie ‘beyond reasonable doubt’.5
In de literatuur heeft de opvatting van de Hoge Raad uit BNB 2008/165 niet op veel bijval kunnen rekenen. Volgens verschillende auteurs heeft de Hoge Raad miskend dat de omvang van de heffing wel degelijk een element is van het beboetbare feit.6 De Bont acht de woorden ‘voor zover’ uit het tweede lid van de boetebepalingen in dit verband cruciaal: de heffingsgrondslag kan alleen de boetegrondslag vormen als de belastingplichtige ter zake van die heffingsgrondslag ook een verwijt kan worden gemaakt.7 De verschuldigde belasting is daarom een element van het vergrijp.8 Koopman zit eveneens op deze lijn en concludeert dat de inspecteur niet alleen de opzet of grove schuld,9 maar ook het bedrag van de belasting moet bewijzen.10 Møller heeft opgemerkt dat de verschuldigde belasting een ‘wezenlijk element’ van het te bestraffen feit is. De onschuldpresumptie zou naar zijn smaak worden ondermijnd als de inspecteur de hoogte van de grondslag niet zou behoeven te bewijzen.11 Ook A-G Niessen heeft dat punt aangeroerd en – in iets andere bewoordingen – aangegeven dat het overnemen van bewijsconstructies vanuit de sfeer van de heffing naar de boetesfeer problematisch is, omdat het beboetbare feit niet los kan worden gezien van de omvang van de boete. Het kale beboetbare feit is naar zijn mening niet gelijk aan het ‘vergrijp in volle omvang’, met als gevolg dat de onschuldpresumptie voor het geheel van de opgelegde boete geldt.12 Wijsman denkt hier evenwel anders over: naar zijn mening is de boetegrondslag eenvoudigweg geen onderdeel van de delictsomschrijving.13 Zijn opvatting stemt dus (wel) overeen met die van de Hoge Raad. Ook Haas en de Redactie Vakstudie-Nieuws hebben geschreven dat de boetegrondslag geen bestanddeel is van het beboetbare feit.14