Einde inhoudsopgave
Morganatisch burgerschap 2019/2.4.2
2.4.2 Middeleeuwse visies op burgerschap: Marsilius, Bartolus en Baldus
mr. G. Karapetian, datum 16-12-2019
- Datum
16-12-2019
- Auteur
mr. G. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS181157:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Magnette 2005, p. 39. Gedacht kan worden aan Albertus Magnus, Zeger van Brabant en Thomas van Aquino.
Zijn originele naam is vermoedelijk Marsilio dei Mainardini. Marsilius of Padua, Defensor Pacis, Toronto, Buffalo, London: University of Toronto Press 1980 (oorspronkelijke uitgave 1324), p. xviiii.
Marsilius 1324, p. xviiii.
Marsilius 1324, p. xviiii; B. Wauters, Recht als religie: canonieke onderbouw van de vroegmoderne staatsvorming in de Zuidelijke Nederlanden, Leuven: Universitaire Pers Leuven 2005, p. 45.
Deze corruptietaferelen werden door meerdere auteurs aan de orde gesteld, zoals door Dante Alighieri in zijn La divina commedia: I, Zang XIX, verzen 52- 120. D. Alighieri, De goddelijke komedie, Kapellen: Uitgeverij Pelckmans 1993 (oorspronkelijke uitgave 1320, vertaald door Christinus Kops O.F.M).
Marsilius 1324, Deel I, hoofdstuk. XIX, nummer 6; Deel II, hoofdstuk XXIII, nummer 2.
Ibid; Wauters 2005, p. 45.
Marsilius 1324, Deel I, hoofdstuk. V, nummer 2; Deel. I, hoofdstuk XIII, nummer 2; Deel. I, hoofdstuk. IV, nummer 3.
Marsilius 1324, Deel 1, hoofdstuk V, nummer 1. Deze functies baseert Marsilius rechtstreeks op Aristoteles Politica, Boek VIII, Hoofdstuk 8: “Maar ook de vraag hoeveel dingen onontbeerlijk zijn voor het bestaan van een polis behoeft onderzoek. Noodzakelijkerwijs vallen hieronder ook wat wij noemen onderdelen van de polis. Dan moeten we optelling maken van de functies van een polis; daaraan valt het af te lezen. Om te beginnen moet er voedsel zijn. Dan technische vaardigheden: het leven vraagt om tal van werktuigen. Ten derde wapens: deelgenoten in de gemeenschap moeten ook persoonlijk wapens bezitten, zowel om het gezag te handhaven tegenover wie het niet erkennen als met het oog op schendingen door aanvallers van buitenaf. Voorts ruime middelen, voor eigen behoeften zowel als voor oorlogsdoeleinden, ten vijfde, maar heel belangrijk, de zorg voor de omgang met het goddelijke die we onder priesterschap verstaan; en op de zesde plaats, maar het allernodigst, een instantie bevoegd om uitspraak te doen in conflicten over belangen en recht tussen burgers onderling.”
Marsilius 1324, Deel II, hoofdstuk II, nummer 8; Deel II, hoofdstuk VII, nummer 5. Zie ook Wauters 2005, p. 45.
Marsilius 1324, p. xviiii.
Marsilius 1324, Deel I, hoofdstuk XII, nummer 3.
Marsilius 1324, Deel I, hoofdstuk XII, nummer 4.
Aristoteles, Politica, Groningen: Historische Uitgeverij 2011, p. 108.
Gedacht kan worden aan de vier vermogensklassen c.q. gradaties van burgers die werden geïntroduceerd door Solon, zie hiervoor paragraaf 2.2.1 (‘Burger van Sparta of van Athene: eenzelfde verschijnsel, verschil in uitwerking’).
Magnette 2005, p. 42.
Ibid.
Voor een grondige behandeling van het begrip (politieke) representatie, zie: H.G. Hoogers, De verbeelding van het soevereine. Een onderzoek naar de theoretische grondslagen van politieke representatie, (diss.), Deventer: Kluwer 1999.
Magnette 2005, p. 45.
Bartolus of Sassoferrato, Consilia 1.62 in Opera Omnia.
Zie paragraaf 2.2.3 (‘Burgerschap getheoretiseerd: Aristoteles’ Politica en de wezenlijke karakteristiek van de polis-burger’) van dit hoofdstuk.
J. Kirshner, ‘Civitas Sibi Faciat Civem: Bartolus of Sassoferrato’s Doctrine on the Making of a Citizen’, Speculum, Vol. 48, no 4 (Oct., 1973), p. 707.
Idem, p. 708.
Ibid.
Idem, p. 702. Kirschner stelt op p. 710: “The true citizen was the civis ex pacto as well as the civis originarius, both of whom are entitled to equal treatment and protection before the law of the civitas. The Bartolist notion of civic equality, as we have seen, drew inspiration from an ancient and cherished politicolegal ideal: ‘Civitas est hominum multitudo seu collectio ad iure vivendum.’ Its specific configuration was, however, fashioned under the lights and shadows cast by a fresh historical perspective. Not prepared to mortgage the juridicial needs of his own generation to preconceived, hackneyed formulae, Bartolus produces a construct which would encompass and symbolize the dynamic amalgamation of different forms of urban citizenship taking place during his own lifetime. Yet cognizant that the urban amalgam could be torn apart by conflicts erupting between the native and the newcomer, he introduced the concept of civilitas contracta to safeguard the latter’s civil rights, and thereby prevent a bifurcation of the citizenry.”
Om deze reden verwijst Baldus naar zichzelf met ‘Baldus de Perusio’. Zijn befaamde Perugiaanse familie degli Ubaldi zorgde er echter voor dat men aan hem refereerde met ‘Baldus de Ubaldis’.
J. Canning, The Political Thought of Baldus de Ubaldis, Cambridge: Cambridge University Press 1987, p.171.
Idem, p. 160.
Idem, p.178.
Idem, p. 179. In de woorden van Baldus: “And in sum, if native citizenship can increase his rights and standing in any way, he is not simply called a citizen. If, however, the effect of his citizenship could not be increased by native status, because he has been made a citizen in every respect and without reservation (in omnibus et per omnia), he is then called a citizen […].” Zie ook: “Anyone who on account of his merit is made citizen by statute fully obtains the freedom even of native citizens, because he now belongs to the society of citizens, and is one of their number and an addition to it, and of the same citizen-body and corporation actively and passively, […]; for since such people have obtained citizen rights, they could not be regarded as outsiders.” Baldus, Consilium, 3.299, fol. 97r; Canning 1987, p. 181.
De herontdekking van de werken van Aristoteles in de dertiende eeuw zorgden voor een majeure ontwikkeling van politieke theorieën in de eeuwen die zouden volgen. Meerdere denkers, nu ze toegang hadden tot de geschriften van Aristoteles, bogen zich over vele onderwerpen die aan de orde kwamen in de boeken van Aristoteles.1 Een van deze denkers die ons deelgenoot heeft gemaakt van zijn gedachten over Aristoteles’ visie op burgerschap was de Italiaanse Marsilius van Padua.2 Het magnum opus van Marsilius is de Defensor pacis (‘De verdediger van de vrede’).3 Het boek wordt beschouwd als een van de meest radicale middeleeuwse aanklachten tegen het pausdom.4 Behalve het aan de kaak stellen van corruptietaferelen rondom paus Clemens V en Johannes XXII,5 ging Marsilius in zijn denken zo ver dat hij het bestaansrecht van het ambt van het pausdom sterk in twijfel trok.6 De onderbouwing was hoofdzakelijk dat het pausdom van oorsprong niet goddelijk is.7 Het pausdom is volgens Marsilius namelijk een product van het menselijke brein. Geheel in lijn met Aristoteles stelt Marsilius dat het fundament van de staat dient te bestaan uit seculiere beginselen en niet theologische veronderstellingen.8 De ideale staat heeft volgens Marsilius in totaal zes ambten c.q. functies nodig die de burgers van de desbetreffende staat voor hun rekening dienen te nemen: agriculturele, technische, militaire, financiële, priesterlijke en tot slot juridische.9 Hoewel naast Aristoteles ook Marsilius erkent dat in een staat de priesterlijke functie niet kan ontbreken, stelt Marsilius dat deze priesterlijke functie louter adviserend van aard mag zijn. Deze functie wordt door Marsilius gecontrasteerd met de juridische functies die geschillen finaal en definitief beslechten.10 De betrokkenheid van het pausdom in de statelijke sfeer zorgt volgens Marsilius ervoor dat de staat zich niet kan ontwikkelen tot de ideale staat.11 De legitimiteit van de staat zoekt Marsilius immers niet in het goddelijke, maar in het aardse: in de staat zelf, in het bijzonder bij de burgers ervan. In lijn met de Aristotelische traditie stelt Marsilius dan ook dat de burgers tezamen de wetgevende functie van de staat uitoefenden en aldus wetgeving uitvaardigen.12 Een zekere relativering van dit standpunt blijkt echter reeds uit de definitie die Marsilius geeft van de burger:
“A citizen I define in accordance with Aristotle in the Politics, Book III, Chapters 1, 3, and 7, as one who participates in the civil community in the government or the deliberative or judicial function according to his rank.”13
Opvallend aan deze definitie van de burger is dat zij de aandacht vestigt op het burgerschapsbegrip dat Aristoteles heeft gegeven in de Politica. De meest wezenlijke karakteristiek van de burger volgens Aristoteles is reeds besproken in paragraaf 2.2.3 (‘Burgerschap getheoretiseerd: Aristoteles’ Politica en de wezenlijke karakteristiek van de polis-burger’) van dit hoofdstuk. Volgens Aristoteles is een burger iemand die ‘aan de regering kan of mag deelnemen en gerechtelijke en bestuurlijke beslissingen [kan] nemen’.14 Anders dan Aristoteles, introduceert Marsilius volgens de hiervoor aangehaalde definiëring een bepaalde gradatie in het burgerschapsbegrip, door te stellen dat een burger iemand is die participeert in de gemeenschap van de samenleving naar gelang zijn status. Het aanbrengen van een dergelijke gradatie was gebruikelijk in het burgerschapsbegrip in de klassieke oudheid.15 Deze elitaire component in de definitie van de burger bergt iets in zich van representatie.16 Marsilius stelde dat de burgers, die tezamen de wetgevende macht vormden, wetgeving konden uitvaardigen, maar dat zij ook mensen konden kiezen die namens deze burgers wetgeving zouden uitvaardigen.17 Het representatieve element in het burgerschapsbegrip kan derhalve worden toegeschreven aan Marsilius, aangezien representatie voorheen louter werd gebruikt in private rechtsverhoudingen.18
Dat ook de andere middeleeuwse denkers niet schuchter waren om af te wijken van de eerdere burgerschapsdefinities, en daarmee de discussie rondom het burgerschapsbegrip van richting deden veranderen, illustreert Bartolus van Saxoferrato.
Bartolus, geboren in 1313, is bekend om de verschillende commentaren die hij schreef op het Corpus Iuris Civilis. Met name zijn bijdrage aan het soevereiniteitsconcept heeft raakvlakken met het begrip burgerschap.19 De vragen in zijn werken die raken aan het burgerschapsbegrip, waren tweeërlei: ten eerste de vraag of een stad een burger kan naturaliseren en ten tweede of de genaturaliseerde burgers gelijk zijn aan de burgers van rechtswege. Op de eerste vraag antwoordt hij als volgt:
“[…], it ought to be known that someone cannot be considered a citizen by an act of nature, but by the civil law, which is obvious. First, from the name of citizen itself, inasmuch as civis is derived from civitas. Secondly, because the civitas was not created by natural law, and one does not become a citizen by being born. It is, therefore, the rule of civil law which makes someone a citizen, either because of place of birth, rank or adoption… Wherefore it must not be said that some men are citizens under natural law, some under civil law. On the contrary, all men are citizens by virtue of the civil law.”20
Opvallend aan deze benadering van het burgerschapsbegrip is dat deze zich hoofdzakelijk concentreert op datgene wat in de Politica van Aristoteles wordt gepresenteerd als een praktische definitie van burgerschap.21 Deze praktische definitie van burgerschap staat thans bekend onder de vraag hoe iemand het burgerschap van een staat verkrijgt. Met betrekking tot de theoretische definitie van burgerschap is niet veel bekend over Bartolus’ visie. Vast staat wel dat volgens Bartolus een gehonoreerd naturalisatieverzoek de rechtsverhouding tussen de desbetreffende persoon en de rechtsorde transformeerde in een contract tussen de nieuwe burger en de rechtsorde (civilitas contracta).22 Deze nieuwe burgers, de zogenoemde cives ex pacto, konden ook bescherming krijgen van de staat als zij in onveiligheid verkeerden.23 Daar stond tegenover dat de nieuwbakken burgers verplichtingen hadden jegens de staat: onder andere militair actief zijn ten behoeve van de veiligheid van de staat.24 Opvallend aan deze beschouwing van Bartolus over burgerschap is dat hij burgerschap benadert als een contract tussen een burger en zijn rechtsorde. Anders dan bijvoorbeeld Aristoteles en Marsilius wordt de burger niet gedefinieerd als iemand die deel dient te nemen aan de regering en daarbij beslissingen kan nemen. Waar Marsilius benadrukt dat de burger politiek betrokken dient te zijn in het belang van de staat, is dit niet een uitgangspunt van Bartolus.
Op de tweede vraag, de vraag naar de verhouding tussen de nieuwe burgers en de burgers die van origine het burgerschap van de staat hebben, antwoordt Bartolus in de hiervoor geciteerde passage dat alle burgers het burgerschap hebben verworven op grond van het civiele recht. De oorsprong van hun burger-zijn is derhalve gelijk: het contract met de staat. Daarbij is onverschillig dat de een van origine burger is en dat de ander het burgerschap door middel van naturalisatie heeft verkregen. De genaturaliseerde burgers dienen op gelijke wijze te worden behandeld als de burgers die van rechtswege burger zijn.25 Waar Bartolus stelt dat burgerschap een bepaalde rechtsverhouding is tussen een burger en zijn rechtsorde, waarvan de legitimatie het civiele recht is, gaat Bartolus’ pupil Baldus van Ubaldis verder.
Baldus, geboren in 1327 in Perugia,26 staat met name bekend om zijn werken over het middeleeuwse leenrecht, in het bijzonder het Lombardische leenrecht. Net zoals Bartolus, stelt Baldus dat de bron van burgerschap het civiele recht is.27 Opvallend aan zijn visie op burgerschap is ten eerste dat hij de burger niet definieert als iemand die actief betrokken is in de staat.28 Anders dan Aristoteles en Bartolus is Baldus de mening toegedaan dat bij burgerschap de burger geregeerd wordt en niet zozeer regeert. Relevant bij burgerschap is, zo benadrukt Baldus, de wederkerige verhouding waarin rechten en plichten gelden voor beide betrokken partijen:
“I argue that citizenship entails obligations both ways […] for a mutual bond is contracted on both sides; for just as they are to be protected as duty requires, so also there are bound to obey and submit to the bond of our citizenship […] Therefore it is not possible for its advantages to be accepted and its disadvantages rejected […] Since therefore he has consented he has been made a citizen truly and fully as in [D.41.3.15] according to Bartolus, and has therefore been placed under our jurisdiction; for he has been made a citizen of our choosing not with any reservations but with full effect […].”29
Ten tweede stelt Baldus in het kader van de discussie over de verhouding tussen burgers van rechtswege en genaturaliseerde burgers dat deze twee typen burgers gelijk zijn aan elkaar en dezelfde rechten moeten hebben.30
Hierna volgen enkele observaties naar aanleiding van de besproken opvattingen van genoemde auteurs. Na de herontdekking van literatuur uit de klassieke oudheid, zoals het oeuvre van Aristoteles, is ook het burgerschapsbegrip herontdekt. Marsilius van Padua blijkt van de behandelde drie denkers de enige denker te zijn die geheel in lijn met de Aristotelische traditie stelt dat de burger iemand is die actief betrokken is in de (in zijn geval) Italiaanse steden en daarbij bijvoorbeeld bestuurlijke beslissingen kan nemen. Wel introduceert hij in dit kader de notie van representatie door te stellen dat de burger naar gelang van zijn status participeert in de samenleving. Anders dan Marsilius, breekt Bartolus van Saxoferrato met deze traditionele visie op burgerschap. Bartolus focust zich in zijn geschriften met name op de door Aristoteles genoemde praktische definitie van burgerschap: het naturalisatierecht. Daarbij maakt hij relevante opmerkingen over het burgerschapsbegrip. Ten eerste stelt hij dat burgerschap niet volgt uit het natuurrecht, maar uit het civiele recht. Ten tweede verdedigt hij de stelling dat genaturaliseerde burgers gelijk zijn aan burgers die van rechtswege het burgerschap hebben verworven. De gelijke behandeling van mensen met dezelfde status, ongeacht de wijze van verkrijging van deze status, wordt in dit kader geaccentueerd. Burgerschap wordt gepresenteerd als een verhouding tussen twee partijen, waarbij de actieve participatie van burgers geen onderdeel vormt van de definitie. Baldus van Ubaldis benadrukt dit laatste enigszins impliciet in ontkennende zin: volgens hem hoeven burgers niet actief te zijn in een samenleving. Burgerschap is volgens Baldus een wederzijdse betrekking die rechten en plichten met zich brengt.
Het wankelen van de Florentijnse Republiek begin zestiende eeuw wakkerde nieuwe ideeën aan over het verschijnsel burgerschap. In de volgende paragrafen wordt aandacht besteed aan het gedachtegoed van Guicciardini en Machiavelli over burgerschap.