Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/5
Hoofdstuk 5 Natrekking van kabels en leidingen
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS485497:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld de conclusie van het artikel van F.J. Vonck, ‘Eigendom van onbevoegd of in eigen grond aangelegde netten’, WPNR 2015/7071, waarin hij enkele, van de volgens hem ‘talrijke’, vragen opwerpt rondom neteigendom.
Zie met mij Vonck die stelt: “Verder juridisch onderzoek naar de talrijke vragen rondom neteigendom eventueel gevolgd door de invoering van verbeterde regelgeving – is, kortom, in de komende jaren onmisbaar.” Zie F.J. Vonck, ‘Eigendom van onbevoegd of in eigen grond aangelegde netten’, WPNR 2015/7071.
Voor andere, tevens zeer interessante, vragen die buiten het onderwerp van dit onderzoek vallen, verwijs ik u naar de dissertatie van B.A.M. Janssen, Wie heeft de leiding? De eigendom van kabel- en leidingnetten, (diss. Utrecht) Deventer: Kluwer 2010. Zie ook: J.P. van Loon en H.D. Ploeger, ‘Registratie van de eigendom van kabel- en leidingnetwerken’, in: Energie en Eigendom – Preadvies Nederlandse Vereniging voor Energierecht, Antwerpen: Intersentia 2011.
Stellingen
De verkeersopvatting vervult niet slechts de functie van een vangnet bij het bepalen van de omvang van een kabelnetwerk, maar is van doorslaggevende betekenis.
Reeds voordat de Hoge Raad de Kabelarresten wees, was duidelijk dat een kabelnetwerk aangemerkt diende te worden als onroerende zaak.
Om een gedeelte van een netwerk af te scheiden, in die zin dat het een deelnet gaat vormen, dient het gedeeltelijk voldoende zelfstandig te zijn, hetgeen wordt beantwoord aan de hand van de verkeersopvatting.
Art. 5:20 lid 2 BW doorbreekt de natrekking van een netwerk op grond van art. 5:20 lid 1 BW, maar niet natrekking op grond van art. 3:4 BW.
Inleiding
Tot nu toe zijn twee vormen van natrekking door onroerende zaken besproken: 1) natrekking doordat een zaak onroerend is op grond van art. 3:3 lid 1 BW en nagetrokken wordt door de eigendom van de grond, op grond van art. 5:20 lid 1 BW. En 2) natrekking doordat een zaak bestanddeel (in de zin van art. 3:4 BW) is/wordt van een andere, onroerende zaak. Geconcludeerd is dat de verkeersopvatting bij beide wijzen van doorslaggevende betekenis is voor de vraag of natrekking plaats heeft gevonden. Bij art. 3:3 lid 1 BW impliciet. Daar is de verkeersopvatting vervat in de uitleg van het bestemmingscriterium dat gebruikt wordt ter invulling van het vereiste van een ‘duurzame vereniging’ met de grond. Bij art. 3:4 BW wordt de verkeersopvatting expliciet genoemd als criterium voor bestanddeelvorming en zoals uit het voorgaande blijkt, is de verkeersopvatting ook het leidende criterium.
In dit hoofdstuk zal ingegaan worden op de regeling van art. 5:20 lid 2 BW met betrekking tot een netwerk van kabels en leidingen. Lid 2 van art. 5:20 BW geeft een uitzondering op de natrekkingsregel van art. 5:20 lid 1 BW. De introductie van art. 5:20 lid 2 BW heeft veel stof doen opwaaien en evenzoveel vragen.1 Een groot gedeelte van die vragen liggen echter buiten het bereik van deze dissertatie en vergen verder onderzoek.2 Om die reden zal in het navolgende de regeling van art. 5:20 lid 2 BW niet uitputtend besproken worden, maar zal de behandeling zich beperken tot de rol van de verkeersopvatting bij natrekkingsvraagstukken met betrekking tot kabels en leidingen.3 De hoofdvraag in dit hoofdstuk luidt:
Welke rol speelt de verkeersopvatting bij natrekking van (een netwerk van) kabels en leidingen?
Aangevangen wordt met het bespreken van (de totstandkoming van) art. 5:20 lid 2 BW.
5.1 Een nieuwe regeling5.2 Wat is een net en hoe bepaalt men de begrenzing daarvan?5.3 Deelnetten5.4 De rol van de verkeersopvatting bij natrekking van kabels en leidingen5.5 Is art. 5:20 lid 2 BW ook een uitzondering op 3:4 BW?