Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/3.2.5:3.2.5 Vergeving
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/3.2.5
3.2.5 Vergeving
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859175:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Vast. Boek 4 2002, p. 91.
Parl. Gesch. Vast. Boek 4 2002, p. 90.
Vgl. Hof Den Haag 14 februari 2007, ECLI:NL:GHSGR:2007:BA1939 en Hof Arnhem-Leeuwarden 15 december 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:9515.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoofdstuk 4 legt zich toe op de vergeving bij onwaardigheid. In relatie tot het zijn van executeur en bewindvoerder wordt hierover alvast het volgende opgemerkt.
Op grond van artikel 4:3 lid 3 BW vervalt een onwaardigheid, wanneer de erflater aan de onwaardige op ondubbelzinnige wijze zijn gedraging heeft vergeven. Vergeving kan vormvrij geschieden. In de Toelichting Meijers is als voorbeeld voor ondubbelzinnige vergeving het geval genoemd dat de erflater de onwaardige na kennisneming van de grond der onwaardigheid tot erfgenaam benoemt of een andere daad doet waaruit de vergeving ondubbelzinnig blijkt.1 Het is daarentegen niet voldoende als de beschikking ten voordele van de onwaardige die aan de grond der onwaardigheid vooraf ging, niet wordt herroepen. In dat geval moet duidelijk zijn dat de erflater de beschikking niet heeft wensen te herroepen.2
Gelet hierop geldt voor de beschikking waarin de erflater een executeur of bewindvoerder benoemt het volgende. Vindt de benoeming plaats na kennisneming van de gedraging die tot onwaardigheid leidt, dan ligt hierin de vergeving besloten. De executeur en/of bewindvoerder kan in dat geval zonder vrees voor onbevoegdheid zijn taak ter hand nemen. Is de benoeming aan de gedraging vooraf gegaan, dan is een enkel stilzitten van de erflater niet voldoende om vergeving te kunnen aannemen.
Een executeur of bewindvoerder met een misdraging als bedoeld in artikel 4:3 BW op zijn kerfstok, hoeft evenmin te vrezen dat zijn bevoegdheid in twijfel wordt getrokken als vergeving kan worden afgeleid uit andere gedragingen of verklaringen van de erflater. Het zal van de omstandigheden van het geval afhangen of deze verklaringen en gedragingen van voldoende gewicht zijn om ondubbelzinnige vergeving aan te nemen.3