Naar een Nederlandse political question-doctrine?
Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/5.2.2:5.2.2 De moderne doctrine
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/5.2.2
5.2.2 De moderne doctrine
Documentgegevens:
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233729:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 3.2.4.
Zie paragraaf 3.3.
U.S. Supreme Court 21 juni 1973, 413 U.S. 1 (Gilligan v. Morgan); U.S. Supreme Court 13 januari 1993, 506 U.S. 224 (Walter Nixon v. United States); U.S. Supreme Court 27 juni 2019, 139 S.Ct. 2484 (Rucho v. Common Cause).
Koopmans 1993, p. 21.
Zie paragraaf 3.6.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het Hooggerechtshof leek zich hiervan bewust. In hoofdstuk 3 is gebleken dat het in de zaak Baker v. Carr uit 1962 de doctrine in verschillende opzichten heeft verduidelijkt. Daarbij gaat het onder meer om de grondslag van de doctrine en om de factoren aan de hand waarvan de rechter moet bezien of een political question aanwezig is. Volgens het Hof is de grondslag van de doctrine gelegen in de machtenscheiding. Daarnaast onderscheidde het Hof zes factoren of criteria die kunnen maken dat sprake is van een political question, en daarmee van een geschil waarover de rechter zich niet inhoudelijk mag uitspreken. Concreet is dit volgens het Hof het geval indien:
het geschil raakt aan een onderwerp dat moet worden geacht door de Amerikaanse Grondwet aan de andere staatsmachten te zijn opgedragen;
het ontbreekt aan ‘judicially discoverable and manageable standards’, oftewel concrete en bruikbare rechtsnormen om het geschil te beslissen;
er beleidsbeslissingen noodzakelijk zijn met een politiek en geen juridisch karakter alvorens het geschil inhoudelijk kan worden beoordeeld;
de rechter met een inhoudelijke beoordeling niet langer de binnen de trias vereiste afstand ten opzichte van de andere staatsmachten zou bewaren;
er sprake is van een bijzondere noodzaak om een eerdere, politieke beslissing van een van de andere staatsmachten te respecteren; of
een inhoudelijk oordeel kan leiden tot ‘embarrassment’ als gevolg van uiteenlopende standpunten van de verschillende staatsmachten over hetzelfde onderwerp.1
Deze ‘Baker-factoren’ bepalen het bereik van de Amerikaanse political question-doctrine zoals deze doctrine tegenwoordig bekend staat en wordt toegepast. Deze factoren kunnen maken dat de rechter een inhoudelijke beoordeling niet ‘mag’ of ‘kan’ geven, of dat ‘beter niet’ kan doen.2 De factoren zijn zodanig ruim geformuleerd, dat zij de rechter veel ruimte bieden om een political question aanwezig te achten.
Latere rechtspraak geeft echter een veel terughoudender beeld. Hoewel de political question-doctrine ook in andere zaken ter sprake is gekomen, heeft het Hof de doctrine sinds Baker v. Carr slechts in drie zaken expliciet toegepast. Deze zaken hebben betrekking op de vaststelling van regels over de organisatie en inzet van de Nationale Garde, de impeachment van een federale overheidsfunctionaris en political gerrymandering.3 Zoals Koopmans heeft gesteld, lijkt de doctrine door de dynamiek van latere rechtspraak te zijn achterhaald.4
Het geringe aantal gevallen waarin het Hof de doctrine heeft toegepast, hangt samen met de betekenis die het Hof aan de Baker-factoren in de praktijk toekent. Het Hof legt de nadruk op de eerste twee factoren.5