Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/5.2.5.5.4
5.2.5.5.4 Internationale rechtshulp
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 4 mei 2000, appl.no. 42965/98 (dec.) (Berisha/Nederland).
EHRM 3 februari 2009, appl.no. 36892/05 (dec.) (Baybasin/Duitsland); EHRM 17 november 2005, appl.no. 73047/01 (dec.) (Haas/Duitsland); ECRM 7 oktober 1991, appl.no. 17168/90 (Nemet/Zweden).
EHRM 3 november 2009, appl.no. 11300/03 (Kachan/Polen).
EHRM 3 februari 2005, appl.no. 31655/02 (Blum/Oostenrijk), § 11 en 33. In ECRM 1 juni 1972, appl.no. 4428/70 (X/Oostenrijk) bestond een basis voor een getuigenverhoor via internationale rechtshulp. Oostenrijk en Duitsland waren namelijk een rechtshulpverdrag overeengekomen. Daarnaast waren beide landen verdragsstaat bij het Europees Rechtshulpverdrag. Desondanks bleek het instellen van een rogatoire commissie niet mogelijk, omdat het een ambtsdelict betrof en dat als een politiek delict werd aangemerkt. Rechtshulp ter zake van politieke delicten was uitgesloten. De ECRM meende dat hier geen sprake was van opzettelijke nalatigheid, waarvoor de Oostenrijkse autoriteiten verantwoordelijk gehouden konden worden, maar van feitelijke belemmeringen. Overigens is dit de enige Straatsburgse uitspraak waarin het opzettelijke karakter van de nalatigheid wordt genoemd. Opzet is geen voorwaarde om nalatigheid te kunnen aannemen.
EHRM 11 december 2008, appl.no. 6293/04 (Mirilashvili/Rusland), § 220. Een zelfde soort zaak is EHRM 16 november 2006, appl.no. 46503/99 (Klimentyev/Rusland), § 24-25 en 126.
EHRM 9 december 2004, appl.no. 62936/00 (dec.) (Moiseyev/Rusland), p. 43.
EHRM 3 november 2009, appl.no. 11300/03 (Kachan/Polen), § 13-17, 22-24 en 38-40. Zie ook EHRM 8 maart 2007, appl.no. 53897/00 (Dănilă/Roemenië), § 63.
EHRM 3 maart 2011, appl.no. 31240/03 (Zhukovskiy/Oekraïne), § 45.
EHRM 17 november 2005, appl.no. 73047/01 (dec.) (Haas/Duitsland), p. 15-16; EHRM 27 januari 2004, appl.no. 44484/98 (dec.) (Lorsé/Nederland), p. 4 en 14; EHRM 28 november 2000, appl.no. 48297/99 (dec.) (Butkevičius/Litouwen), § 25; ECRM 7 oktober 1991, appl.no. 17168/90 (Nemet/Zweden).
EHRM 14 december 1999, appl.no. 37019/97 (A.M./Italië), § 27.
EHRM 31 oktober 2001, appl.no. 47023/99 (Solakov/Macedonië), § 59-60 en 63.
EHRM 27 april 2010, appl.no. 43643/04 (Biełaj/Polen), § 21-22, 59 en 64.
Zie daarover uitvoerig Bachmeier Winter 2013, p. 135-139 en 142-145. Zij stelt op p. 135 dat het EHRM minder strenge eisen lijkt te stellen aan de uitoefening van het ondervragingsrecht in zaken waarin de getuige zich in het buitenland bevindt. Mijns inziens oordeelt het EHRM in dit type zaken niet afwijkend, maar doet zich in dit type zaken wel vaker de situatie voor dat het onmogelijk is een getuige rechtstreeks door de verdediging te laten ondervragen. Zie ook Van Hoek & Luchtman 2005, p. 19 en Gless 2013, p. 96-97.
EHRM 3 maart 2011, appl.no. 31240/03 (Zhukovskiy/Oekraïne), § 43.
EHRM 3 maart 2011, appl.no. 31240/03 (Zhukovskiy/Oekraïne), § 46-47. In ECRM 13 juli 1987, appl.no. 11853/85 (P.V./Duitsland) lijkt de ECRM daarentegen de verantwoordelijkheid voor het opgeven van vragen bij de verdediging te hebben gelegd: ‘they can request that certain questions are put to the witness by the court. Especially, this holds true if witnesses are to be examined on commission’. In ECRM 5 februari 1973, appl.no. 5049/71 (X, Y & Z/Oostenrijk) had de verdediging de gelegenheid gekregen om, naar aanleiding van het proces-verbaal van het in het buitenland afgenomen verhoor, nieuwe vragen op te geven, die de getuige in een volgend verhoor beantwoordde. De ECRM oordeelde dat de verdediging haar ondervragingsrecht voldoende had kunnen uitoefenen.
Uitgangspunt: rechtshulpverzoek doen
Wanneer een zich in het buitenland bevindende getuige niet uit eigen beweging gevolg geeft aan een oproeping om te verschijnen, bijvoorbeeld omdat hij daar geen zin in heeft1 of het wegens detentie praktisch niet mogelijk is om aan de oproeping te voldoen,2 zullen de autoriteiten zich moeten wenden tot de autoriteiten van de buitenlandse staat voor rechtshulp, voor zover dat mogelijk is. In het rechtshulpverzoek zal moeten worden verzocht een bepaalde handeling te verrichten. Deze handeling kan bestaan uit het enkele uitreiken van een dagvaarding aan een getuige, maar bijvoorbeeld ook uit het organiseren van een getuigenverhoor op het grondgebied van de aangezochte staat of het bieden van hulp bij het uitvoeren van een verhoor per videoconferentie. Welke regels daarbij gelden, is afhankelijk van de inhoud van het rechtshulpverdrag waarop het rechtshulpverzoek wordt gebaseerd. Is rechtshulp mogelijk geweest, maar is geen rechtshulpverzoek gedaan, dan zal het ehrm al snel oordelen dat de autoriteiten nalatig zijn geweest in het realiseren van een ondervragingsgelegenheid.3
Internationale rechtshulp is niet mogelijk
In de zaak Blum verbleef een belangrijke getuige in een Oostenrijkse zaak in Polen. De Oostenrijkse autoriteiten besloten om deze getuige te horen door een rogatoire commissie in te stellen. Dit bleek echter onmogelijk te zijn, aangezien tussen Oostenrijk en Polen geen rechtshulpverdrag bestond met betrekking tot administratieve delicten. Het ehrm vond – mede in aanmerking genomen dat per brief vragen waren gesteld aan de getuige, die echter niet waren beantwoord – dat de autoriteiten niet nalatig waren geweest.4 Ook wanneer op zichzelf een basis bestaat voor internationale rechtshulp, maar de buitenlandse autoriteiten niet bereid zijn een rechtshulpverzoek te honoreren, mag het organiseren van een getuigenverhoor worden beschouwd als feitelijk onmogelijk. In de Russische zaak Mirilashvili bevonden de getuigen zich in Georgië. Zij waren gedagvaard in Rusland, maar weigerden gevolg te geven aan de dagvaarding. Door middel van letters rogatory was de medewerking van de Georgische autoriteiten ingeroepen, maar deze wensten niet mee te werken aan het ter beschikking stellen van de getuige aan de Russische rechtbank. Het ehrm overwoog: ‘In the circumstances the Russian courts cannot be blamed for the indisposition of the Georgian authorities to cooperate. Therefore, the Court concludes that the military court made a reasonable effort to secure the attendance of those witnesses at the trial.’5 In de zaak Moiseyev was weliswaar een rechtshulpverdrag gesloten tussen Rusland en Zuid-Korea, maar dit was pas vier dagen voordat de Russische rechter zijn uitspraak deed, in werking getreden. Onder deze omstandigheden oordeelde het ehrm dat de Russische autoriteiten geen verwijt kon worden gemaakt van het niet benutten van rechtshulpinstrumenten.6
Wanneer geen rechtshulpverdrag bestaat tussen de staat waar de strafrechtelijke procedure wordt gevoerd en de staat waar de getuige zich bevindt, is rechtshulp niet per definitie uitgesloten. Zo kan toestemming worden verzocht om met een delegatie af te reizen naar de getuige om hem te ondervragen op de plaats waar hij verblijft. Zonder verdrag als basis voor de samenwerking zal het creëren van een ondervragingsgelegenheid echter wel lastiger zijn.
Beschikbare rechtshulpinstrumenten benutten
In de Poolse zaak Kachan bevonden drie belangrijke getuigen zich in Oekraïne. De veroordeling van de verdachte in eerste aanleg was in beslissende mate gebaseerd op hun getuigenissen, zonder dat zij ondervraagd waren door de verdediging. De appèlrechter meende dat dit in strijd was met het Poolse Wetboek van Strafvordering, omdat onvoldoende gebruik was gemaakt van de mogelijkheden om een ondervragingsgelegenheid te realiseren. Er was slechts een bericht gestuurd naar een adres in Polen, zonder gebruik te maken van de mogelijkheden die het rechtshulpverdrag tussen Polen en Oekraïne bood. De rechter in eerste aanleg, die de zaak opnieuw onderzocht, verzocht aan een speciale politie-eenheid die belast was met de samenwerking met Oekraïne, om de dagvaarding aan de getuigen te laten mededelen en om de getuige te laten verschijnen voor verhoor in Polen. De Oekraïense politie liet daarop weten dat de getuigen waren geïnformeerd, maar dat zij geen mogelijkheid had om de getuigen te laten verschijnen. De verdachte werd opnieuw veroordeeld, zonder dat de getuige was ondervraagd. De appèlrechter ging daarmee akkoord, nu was gebleken dat het creëren van een ondervragingsgelegenheid onmogelijk was. Het ehrm meende echter dat de mogelijkheden om de getuige aan een ondervraging te onderwerpen niet waren uitgeput. Volgens het Pools-Oekraïense rechtshulpverdrag was het mogelijk een getuige door een rechter te laten horen in de staat waar deze zich bevond. Daarnaast waren Polen en Oekraïne beide toegetreden tot het Europees Rechtshulpverdrag. Op basis van de artikelen 3 en 4 daarvan is het mogelijk een rogatoire commissie in te stellen. Omdat de justitiële autoriteiten van deze mogelijkheden geen gebruik hadden gemaakt, kon het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid hen worden verweten.7 In de zaak Zhukovskiy hadden de Oekraïense autoriteiten weliswaar verzocht om internationale rechtshulp door Rusland, maar verweet het ehrm hen dat zij geen gebruik hadden gemaakt van de mogelijkheid een verhoor te organiseren met behulp van een videoconferentie.8
Aanwezigheid raadsman bij verhoor in buitenland
Wanneer een rogatoire commissie wordt ingesteld, moet de verdediging daarbij de mogelijkheid krijgen om vragen te stellen, wil kunnen worden gesproken van een adequate and proper opportunity. Rechtshulpverdragen bevatten echter dikwijls beperkingen met betrekking tot de positie van de verdediging. Wanneer een getuigenverhoor plaatsvindt in het buitenland, is het soms niet toegelaten dat de raadsman van de verdachte het verhoor bijwoont en vragen stelt, omdat hierop de regels van het buitenlandse recht van toepassing zijn.9 Wordt het de raadsman niet toegestaan aanwezig te zijn tijdens het getuigenverhoor, dan kan dit in beginsel niet worden verweten aan de justitiële autoriteiten van het land waarin de verdachte wordt vervolgd.10 Dat is anders wanneer die autoriteiten zelf hebben bepaald dat de raadsman het verhoor niet mocht bijwonen.11 Uiteraard kan de autoriteiten geen nalatigheid worden verweten wanneer de raadsman geen gebruik maakt van een aanbod om een getuigenverhoor bij te wonen.12
In de zaak Biełaj had de Poolse rechter – nadat de dagvaarding van twee getuigen herhaaldelijk niet tot hun aanwezigheid ter zitting had geleid – via internationale rechtshulp aan de Oekraïense autoriteiten verzocht hen te ondervragen. Hiertoe was een lijst van vragen opgesteld, die door de verdediging niet waren betwist. De Poolse rechter benadrukte in zijn verzoek dat de verdachte en diens advocaat zouden moeten worden geïnformeerd over de datum waarop de twee getuigen zouden worden gehoord. De getuigen werden daadwerkelijk gehoord, maar de verdediging werd daarvoor niet uitgenodigd. Nadat de Poolse rechter het verslag van het verhoor had ontvangen, deed hij nog twee vergeefse pogingen om de getuigen ter zitting te laten verklaren. Het ehrm oordeelde dat de nationale rechters alle redelijke inspanningen hadden gedaan om de aanwezigheid van de getuigen ter zitting te verkrijgen. Het achterwege blijven van een uitnodiging aan de verdediging om het verhoor bij te wonen kon de Poolse autoriteiten niet worden aangerekend, omdat zij geen verdere invloed konden uitoefenen op de handelwijze van de Oekraïense autoriteiten.13
Wanneer de verdediging niet zelf aanwezig mag zijn om vragen te stellen, zijn de mogelijkheden om de verdediging in staat te stellen de getuige te ondervragen nog niet uitgeput. Het ligt dan op de weg van de nationale autoriteiten om te bewerkstelligen dat de verdediging haar vragen langs een andere weg toch beantwoord kan krijgen. Hierbij kan worden gedacht aan het door de verdediging laten opgeven van vragen die tijdens een verhoor in het buitenland aan de getuige kunnen worden gesteld of aan het organiseren van een videoconferentie.14 In het arrest Zhukovskiy overwoog het ehrm in een algemene overweging: ‘in the event of a particular geographic obstacle, the Court must also examine whether the respondent Government undertook measures which sufficiently compensated for the limitations of the applicant’s rights’.15 In deze zaak hadden de Oekraïense autoriteiten de verdediging vooraf moeten informeren over de tijd en plaats van het getuigenverhoor en over de vragen voor de getuige die de Oekraïense autoriteiten hadden geformuleerd. Dat zou de verdediging in staat hebben gesteld om te verzoeken om opheldering of om aanvullende vragen te laten stellen.16