De rechtspositie van de sollicitant en van de werknemer tijdens de proeftijd
Einde inhoudsopgave
De rechtspositie van de sollicitant en van de werknemer tijdens de proeftijd (MSR nr. 53) 2010/11.7.1:11.7.1 Voortzetting van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in geval van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde -min of meer korte- duur
De rechtspositie van de sollicitant en van de werknemer tijdens de proeftijd (MSR nr. 53) 2010/11.7.1
11.7.1 Voortzetting van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in geval van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde -min of meer korte- duur
Documentgegevens:
mr. R.F. Kötter, datum 30-09-2010
- Datum
30-09-2010
- Auteur
mr. R.F. Kötter
- JCDI
JCDI:ADS388416:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 17 december 1953, St!). 1953, 619.
A.M. ten Bosch-Gerritsen in: Kluwer (losbladig), Arbeidsovereenkomst, aant. 1 bij art. 7:652 BW.
A.M. ten Bosch-Gerritsen in: Kluwer (losbladig), Arbeidsovereenkomst, aant. 9 bij art. 7:652 BW.
D. Christe, 'Aantekening bij de proeftijd van art. 1639n BW', SMA 1979, p. 470 e.v.
Zie ook Ktr. Amsterdam 3 april 1975, Prg. 1975, 1033, m.nt. J.A. de Jong.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Artikel 7:652 lid 4 sub a BW bepaalt dat een proeftijd met een maximumduur van één maand kan worden overeengekomen, als de overeenkomst is aangegaan voor korter dan twee jaar. Indien een werkgever aan het einde van de proeftijd van één maand er nog onvoldoende van overtuigd is geraakt dat een werknemer geschikt is voor de functie, kan hij ertoe besluiten om de arbeidsovereenkomst aan het einde van de proeftijd op te zeggen. Een andere mogelijkheid is dat partijen met elkaar aan het einde van de proeftijd een nieuwe arbeidsovereenkomst overeenkomen voor onbepaalde tijd. Bij een arbeidsovereenkomst die is aangegaan voor onbepaalde tijd, kan op grond van het bepaalde in artikel 7:652 lid 3 BW een proeftijd voor de duur van ten hoogste twee maanden worden overeengekomen. Dit heeft tot effect dat de proeftijd na het aangaan van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd nog met een maand kan worden verlengd. De wet maakt deze constructie mogelijk op grond van artikel 7:652 lid 7 BW. Deze bepaling is het gevolg van de wetswijziging van 1953,1 waarbij het mogelijk werd gemaakt om meerdere proeftijden aan te gaan, mits het absolute maximum van twee maanden niet zou worden overschreden. Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever bij de wetswijziging van 1953 juist met name het oog gehad op het verlengen van een (al aangevangen) proeftijd met nog een nieuwe korte proefperiode, mits het totaal niet langer dan twee maanden wordt.2 We kunnen er dan ook van uitgaan dat een dergelijke wijziging van contractsduur in de proeftijd is toegestaan.3 Door deze wijziging van de contractsduur in de proeftijd wordt de werknemer bovendien een extra kans gegeven om de werkgever ervan te doordringen dat hij geschikt is voor de functie. Niet duidelijk is overigens of de totale duur van deze proeftijd een aansluitende periode moet betreffen. Nu de wetgever bij de wetswijziging van 1953 de mogelijkheid in het leven heeft willen roepen om een reeds aangevangen proeftijd met nog een korte proefperiode te verlengen, ga ik er, anders dan Christe,4 van uit dat het de bedoeling van de wetgever is geweest dat de 'nieuwe' proeftijd direct op de voorgaande aansluit.5