Einde inhoudsopgave
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/2.10.4
2.10.4 Toekomstige aandelen
mr. T. Hutten, datum 01-05-2023
- Datum
01-05-2023
- Auteur
mr. T. Hutten
- JCDI
JCDI:ADS706233:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Insolventierecht (V)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Onder omstandigheden levert het ‘verwateren van de pandhouder’ een onrechtmatige daad op, zie Rb. Oost-Brabant 7 oktober 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:5797 (Financiering Factoring Leasemaatschappij SHS/Il Primo).
Zie Quist 2016, §5. Aandelen zijn toekomstig wanneer zij nog niet aan de pandgever toebehoren, omdat ze ofwel vooralsnog aan een ander toebehoren (relatief toekomstig), ofwel nog niet bestaan (absoluut toekomstig). Een voorbeeld van absoluut toekomstige aandelen zijn aandelen die de vennootschap nog zal uitgeven.
Timmermans 2018/7.5.7.
Zie Steneker 2022/2.9; Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa 2019/411; Quist 2017, p. 7; Schuijling 2016/231; Steneker 2012/61; Van Oosten 2007, p. 15-17; De Kraker 2003, p. 106-109; Veerbeek 2003, p. 29-30; Vermeulen 2002, p. 170-173.
In gelijke zin Schuijling 2016/5.4.2.
Quist 2016, p. 4 die deze praktijk achterhaald noemt.
Zie Veerbeek 2003, p. 30.
In gelijke zin De Kraker 2003, p. 108.
62. Wanneer de pandgever na de verpanding nieuw uitgegeven aandelen verkrijgt, dan verwatert het aandelenbelang waarop de pandhouder een pandrecht heeft. Deze verwatering is doorgaans nadelig voor de zekerheidswaarde van het pandrecht op de aandelen.1 Een pandrecht op een 100%-belang is namelijk in de regel waardevoller dan een pandrecht op bijvoorbeeld een 90%-belang dat voorheen 100% vertegenwoordigde. Dat komt omdat een pandrecht op een meerderheidsbelang doorgaans waardevoller is dan een pandrecht op een minderheidsbelang. Dat heeft niet enkel te maken met de te verwachte executieopbrengst – de onderpandwaarde – maar ook met de controle die een pandhouder met het stemrecht kan uitoefenen, voor zover het stemrecht aan de pandhouder toekomt (§3.3). In de praktijk komt het dan ook voor dat men tegelijk met de bestaande aandelen ook de toekomstige aandelen van de pandgever verpandt.2 Daaronder vallen dan niet enkel nieuw uitgegeven aandelen, maar ook bestaande aandelen die de pandgever verkrijgt van een ander. Ook in andere gevallen kan de verpanding van toekomstige aandelen gewenst zijn. Een voorbeeld daarvan is de verpanding van ‘beschermingsprefs’. Dat zijn preferente aandelen die een vennootschap uitgeeft aan een stichting ter bescherming van de vennootschap tegen een vijandige overnamepoging. Deze plegen bij voorbaat te worden verpand door de stichting, omdat de financier de formaliteiten rondom de vestiging wil afronden voordat zij de voor de aankoop benodigde financiering beschikbaar stelt.3
63. De verpanding van toekomstige aandelen roept enkele vragen op. De belangrijkste is of de tekst van artikel 2:86/196 lid 2 BW in de weg staat aan de verpanding van toekomstige aandelen. Daarin staat namelijk de eis dat het aantal aandelen, de soort aandelen en de wijze waarop de pandgever deze heeft verkregen in de notariële akte moet worden vermeld. Bij de verpanding van toekomstige aandelen is dat op het moment van verpanding nog niet te zeggen. Niettemin wordt er in de literatuur mijns inziens terecht betoogd dat deze eis niet in de weg staat aan vestiging bij voorbaat.4 Gelet op de parlementaire geschiedenis bij artikel 2:86/196 lid 2 BW is het aannemelijker dat de wetgever de moeilijkheden niet heeft voorzien, dan dat hij verpanding (en levering) van toekomstige aandelen heeft beoogd uit te sluiten.5 Artikel 2:86/196 lid 2 BW moet mijns inziens worden gezien als een opdracht aan de notaris om de daarin opgesomde gegevens zoveel als mogelijk is in de akte te vermelden (§2.8.3).
Gelet op de onzekerheid die rondom de verpanding van toekomstige aandelen bestaat, wordt er in de praktijk soms ook een (onherroepelijke) volmacht tot verpanding door de pandgever aan de pandhouder verleend.6 Mocht dan blijken dat aandelen die ten tijde van vestiging nog toekomstig waren onverpand zijn gebleven, dan kan de pandhouder zonder verdere medewerking van de pandgever overgaan tot de verpanding daarvan. Dit lijdt uitzondering in bepaalde situaties, bijvoorbeeld als de pandgever failliet is, in welk geval de volmacht van rechtswege eindigt (art. 3:72 onderdeel a BW). Hetzelfde geldt voor het geval dat de gevolmachtigde pandhouder failleert (art. 3:72 onderdeel b BW).
64. Een andere vraag die opkomt bij de verpanding van toekomstige aandelen is of de vennootschap de verpanding bij voorbaat kan erkennen. De relevantie daarvan is dat de pandhouder pas bevoegd raakt de hem toekomende ‘aan het aandeel verbonden rechten’ uit te oefenen, nadat de verpanding is erkend of een notarieel afschrift of uittreksel van de pandakte aan de vennootschap wordt betekend (art. 2:86a/196a lid 1 BW) – §2.9.1. In de literatuur is betoogd dat de voorwaardelijke erkenning onmogelijk is, omdat dit zou leiden tot de onwerkbare taak voor de vennootschap om de mutaties in het aandelenkapitaal te monitoren.7 Daarom zou op het moment dat de pandgever de aandelen verkrijgt, voor de openbaarmaking van het pandrecht nog een nadere handeling zijn vereist. Ik ben het daarmee oneens, vanwege het volgende.
Mijns inziens hoeft van voorwaardelijke erkenning geen sprake te zijn. De vennootschap kan naar mijn mening onvoorwaardelijk de verpanding van toekomstige aandelen erkennen. Zij kan dat doen op de algemeen voorgeschreven manier uit artikel 2:86b/196b BW. Ik kom tot die opvatting omdat de erkenning van de verpanding mijns inziens slechts de uiting van de vennootschap is dat zij hiervan kennis draagt.8 Omwille van de rechtszekerheid rondom de bevoegdheid tot uitoefening van bepaalde uit het aandeel voortkomende rechten schrijft de wet voor op welke manieren van deze kennis kan blijken. Gelet op het bepaalbaarheidsvereiste bij verpanding (§2.8.3) zal het voor de vennootschap in beginsel voldoende duidelijk moeten zijn welke toekomstige aandelen zijn verpand. Er staat dan niets in de weg aan een erkennende verklaring. Wil de vennootschap hiertoe echter niet overgaan, dan kan een notarieel afschrift of een uittreksel van de pandakte worden betekend aan de vennootschap, waarvan hetzelfde gevolg uitgaat. Het bestuur van de vennootschap doet er in beide gevallen goed aan om in het aandeelhoudersregister een aantekening te maken van de verpanding van toekomstige aandelen voor zover verpandbaar, zodat het bestuur van de vennootschap op het moment dat de aandeelhouder de aandelen uiteindelijk verwerft, het pandrecht daarop van meet af aan juist in het register verwerkt (§2.9.3).