Einde inhoudsopgave
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/2.10.5
2.10.5 Certificaathouderspandrecht
mr. T. Hutten, datum 01-05-2023
- Datum
01-05-2023
- Auteur
mr. T. Hutten
- JCDI
JCDI:ADS706215:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Insolventierecht (V)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ook bij meerdere gevestigde pandrechten kunnen er vragen ontstaan over hun onderlinge rang. Het pandrecht op aandelen wijkt wat die kwesties betreft mijns inziens niet af van het pandrecht op andere niet-registergoederen. Deze kwesties laat ik daarom verder buiten beschouwing. Zie wat de rang van het pandrecht in het geval van samenloop op financiële rechten betreft §4.6.2.
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/668.
Zie Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2019/656 e.v.; Van den Ingh 1991.
Zie daarover Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/672; Hamers 1996, p. 73 e.v.
Zie Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/31. Dat een STAK haar aandelen verpand is geen theoretisch geval, zie bijv. Gerechtshof Den Haag 22 februari 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:329, r.o. 4.16 (STAK/MER Beheer).
In gelijke zin Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/672 onderdeel g; Hamers 1996, p. 83. Vgl. Van den Ingh 1991, p. 180.
Zie Stein, in: GS Vermogensrecht, art. 3:259 BW, aant. 4.2 (actueel t/m 01-05-2018); Kelterman 2009, p. 174.
Zie daarover (Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 567 en 570).
Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 567 (TM).
HR 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:524 (Van Dooren q.q./X Holding).
In gelijke zin Stein, in: GS Vermogensrecht, art. 3:259 BW, aant. 4.3 (actueel t/m 01-05-2018); Wolf 2016b, p. 152; Hamers 1996, p. 81; Van Olffen 1993; Van Schilfgaarde 1991, p. 21; Snijders 1991, p. 35-36; Van den Ingh 1991, p. 186.
Steneker 2022/2.20; Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/672 onderdeel h; Asser/De Serière 2-IV 2018/135; Dortmond 2013/197; Steneker 2012/62; Hamers 1996, p. 81, 83 en 92.
Zie hierover Everaars 2021/350 e.v.
In gelijke zin Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/672; Asser/De Serière 2-IV 2018/135; Wolf 2016b, p. 152; Van Olffen 1993, p. 694.
Zie Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/672 onderdeel h; Asser/De Serière 2-IV 2018/135.
65. Op een aandeel kunnen meerdere pandrechten rusten. Wanneer op een aandeel zowel een gevestigd pandrecht rust als een wettelijk pandrecht ten behoeve van certificaathouders, dan kunnen er vragen rijzen over de onderlinge rang van deze pandrechten.1
Wanneer aandelen zijn gecertificeerd, is een administratiekantoor de aandeelhouder van de vennootschap. Het administratiekantoor heeft veelal de rechtsvorm stichting en beheert de aandelen voor de certificaathouders – een Stichting Administratiekantoor (STAK). Zij hebben op hun beurt op grond van de administratievoorwaarden een vordering op het administratiekantoor.2 Denk daarbij voornamelijk aan de vorderingen uit hoofde van deling van de aan het administratiekantoor uitgekeerde opbrengsten, zoals dividend (art. 3:259 lid 1 BW).3 Certificering leidt aldus tot de scheiding van de gerechtigdheid en het economische belang. Het administratiekantoor is als aandeelhouder de rechthebbende van de aandelen, de certificaathouders hebben het economische belang bij de aandelen. Hun economische belang wordt onder omstandigheden versterkt met een wettelijk pandrecht. Daarvoor is in het geval van nv-aandelen nodig dat de aandelen zijn uitgegeven met medewerking van de vennootschap. Bij bv-aandelen ontstaat er een wettelijk pandrecht op de aandelen wanneer er bij de statuten vergaderrecht is verbonden aan de certificaten (art. 3:259 lid 2 BW).4 De wet bepaalt voor die gevallen dat er van rechtswege een pandrecht op de aandelen ontstaat ten behoeve van de gezamenlijke certificaathouders ter zekerheid van nakoming van de vorderingen die de certificaathouders hebben op het administratiekantoor. Het administratiekantoor hoeft dus voor het ontstaan van het pandrecht geen vestigingshandeling te verrichten, het pandrecht ontstaat van rechtswege op grond van de wet.
66. Wanneer bij de vestiging van een pandrecht de pandgever een administratiekantoor is, en er op grond van artikel 3:259 BW al een pandrecht op de aandelen rust, dan geldt mijns inziens het beginsel dat een ouder pandrecht rang neemt boven een jonger pandrecht.5 Het wettelijke pandrecht op de aandelen gaat dan voor op het gevestigde pandrecht. Wanneer echter het wettelijke certificaathouderspandrecht pas ontstaat na de vestiging van het pandrecht, dan volgt uit de prioriteitsregel dat het gevestigde pandrecht voorgaat op het jongere wettelijke pandrecht.6 In de literatuur wordt wat deze laatste situatie betreft echter ook anders betoogd. Zo wordt door sommigen geschreven dat een jonger certificaathouderspandrecht rang neemt boven een ouder gevestigd pandrecht.7 De schrijvers verdedigen hun stelling door te wijzen op het beschermende karakter van het wettelijke pandrecht.8 Mijns inziens is dat ten onrechte. Uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 3:259 BW volgt dat met het wettelijke pandrecht is beoogd om de ‘ongewenste consequenties van het systeem: eigendomsrecht van de stukken bij administratiekantoor, tot uiting komend bij faillissement van de administrerende instelling’ te ondervangen.9 Wanneer er voorrang zou worden verleend aan het certificaathouderspandrecht terwijl al eerder dezelfde aandelen waren verpand, zou de positie van de gezamenlijke certificaathouders niet alleen beschermd worden, maar zelfs erop vooruitgaan. Van zo’n bevoordelingsdoel geeft noch uit de parlementaire geschiedenis, noch uit het stelsel van de wet blijk. In de parlementaire geschiedenis wordt overwogen dat met de wettelijke regeling wordt aangesloten bij de feitelijk gegroeide situatie dat administratiekantoren op eigen naam schuldvorderingen of aandelen verkrijgen.10 In die situatie zou een pandhouder met een eerder gevestigd pandrecht voorgaan op de gezamenlijke certificaathouders, ook al was later ten behoeve van hen een pandrecht gevestigd.
Voor het geval dat een gevestigd pandrecht rang neemt na het wettelijk pandrecht, terwijl bij de vestiging een eersterangs pandrecht wordt beoogd, kan rangwisseling uitkomst bieden. Rangwisseling kan worden geregeld bij overeenkomst, vastgelegd in een notariële akte (vgl. art. 3:262 BW).11 Omdat het certificaathouderspandrecht de certificaathouders gezamenlijk toekomt, is voor de rangwisseling in beginsel een overeenkomst vereist tussen de pandhouder en de certificaathouders gezamenlijk (art. 3:170 lid 3 BW). In de administratievoorwaarden zou kunnen worden bepaald dat de STAK ter zake bevoegd is de certificaathouders te vertegenwoordigen. Een andere mogelijkheid om tot een eersterangs pandrecht te komen, is afstand van het certificaathouderspandrecht.12 In de literatuur wordt mijns inziens terecht aangenomen dat artikel 3:259 BW op dit punt geen dwingend recht bevat.13 Partijen zijn vrij bij het bepalen van hun rechtsverhouding tot het administratiekantoor. Zo zouden zij een rangvoorbehoud kunnen maken ten gunste van toekomstige pandhouders.14 De certificaathouders zouden ook van hun wettelijke pandrecht kunnen afzien of afstand doen, mits van de toestemming van de pandhouder uit een schriftelijke of elektronische verklaring blijkt (art. 3:258 lid 2 BW). Een rangvoorbehoud, het afzien of de afstand van het wettelijk pandrecht moet in beginsel worden gegeven door de certificaathouders gezamenlijk, omdat het pandrecht aan hen gemeenschappelijk toekomt (art. 3:170 lid 3 BW).15 Het zou kunnen worden opgenomen in de voorwaarden die gelden tussen het administratiekantoor en de certificaathouders.16