Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/3.8.e
3.8.e EVRM II: (on)aanvaardbare beperking
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS603460:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie uit de vele beslissingen tegen diverse landen bijv. ECRM 8 december 1992 (ontv.), nr. 19715/92 (N.W./Luxemburg); EHRM 31 augustus 1999 (ontv.), nr. 35791/97 (Emmanuello/Italië); EHRM 30 mei 2000, nr. 53183/99, (Loewenguth/Frankrijk); EHRM 13 februari 2001, nr. 29731/96 (Krombach/Frankrijk); EHRM 12 april 2001 (ontv.), nr. 39765/98 (Waridel/Zwitserland); EHRM 25 juli 2002, nr. 54210/00 (Papon/Frankrijk); overigens maakte Frankrijk een voorbehoud ter zake van cassatie, zie Trb. 1985, 2, maar daaraan wordt in de rechtspraak voorbijgegaan, behoudens in ECRM 2 december 1991 (ontv.), nr. 17012/ 90 (A./Frankrijk).
ECRM 9 september 1992 (ontv.), nr. 19028/91 (Nielsen/Denemarken), waarin de Commissie de gronden samenvat: “that procedural rules were disregarded or applied wrongly, […] that the High Court had wrongly decided matters which fell outside the jury’s competence, that the jury had received wrong instructions as to the legal aspects of the case, or that the questions put to the jury suffered from errors or were based on an incorrect interpretation of the Penal Code”; ECRM 30 november 1994 (ontv.), nr. 22015/93 (Jakobsen/Denemarken); zie over juryrechtspraak tevens ECRM 15 mei 1996 (ontv.), nr. 25852/94 (Planka/Oostenrijk).
ECRM 18 oktober 1995 (ontv.), nr. 24208/94 (Demel/Oostenrijk); EHRM 18 januari 2000 (ontv.), nr. 27618/95 & 27619/95 (Pesti & Frodl/Oostenrijk); EHRM 23 oktober 2001 (ontv.), nr. 42780/98 (I.H., Me.H., R.H. & Mu.H./Oostenrijk); EHRM 9 juli 2002 (ontv.), nr. 70883/01 (Hanak/Oostenrijk).
ECRM 16 januari 1996 (ontv.), nr. 22432/93 (Dür/Oostenrijk).
Trechsel 2005, p. 366.
EHRM 15 november 2007, nr. 26986/03 (Galstyan/Armenië).
EHRM 17 juli 2008, nr. 33268/03 (Ashughyan/Armenië); EHRM 2 december 2008, nr. 22390/05 (Mkhitaryan/Armenië); EHRM 2 december 2008, nr. 41698/04 (Tadevosyan/Armenië); EHRM 2 demember 2008, nr. 31237/03 (Kirakosyan/Armenië); EHRM 16 juni 2009, nr. 22571/05 (Gasparyan/Armenië II); EHRM 27 oktober 2009, nr. 22387/05 (Karapetyan/Armenië); EHRM 10 april 2012, nr. 34320/04 (Hakobyan e.a./Armenië); vgl. de schendingen in EHRM 6 september 2005, nr. 61406/00 (Gurepka/Oekraïne); bevestigd in EHRM 8 april 2010, nr. 38789/04 (Gurepka/Oekraïne II), waarin het Hof ook relevant acht dat de verdachte op geen enkele manier in de beroepsprocedure standpunten naar voren kon brengen; van hetzelfde laken een pak is EHRM 2 oktober 2012, nr. 1484/07 (Kakabadze e.a./Georgië).
Zie Trechsel 2005, p. 47.
EHRM 30 oktober 2014, nr. 17888/12 (Shvydka/Oekraïne); het Hof “finds it inconceivable how that review would have been able to effectively cure the defects of the lower court’s decision” nadat de door dat lagere gerecht opgelegde vrijheidsstraf al volledig is uitgezeten; vgl. in vergelijkbare zin over het Inter-Amerikaans Hof voor de Mensenrechten, Burgorgue-Larsen & Úbeda de Torres 2011, p. 660-661; Medina 2014, p. 317-318;
EHRM 13 februari 2001, nr. 29731/96 (Krombach/Frankrijk).
EHRM 13 februari 2001, nr. 29731/96, r.o. 97 (Krombach/Frankrijk); de in mijn ogen verkeerde conclusie die Krabbe aan de bespreking van deze zaak verbindt, namelijk dat het geheel uitsluiten van beroepsmogelijkheden na verstekprocedures behoudens bijzondere gevallen toelaatbaar is, berust als ik het goed zie op onjuiste lezing van deze 97ste overweging, zie Krabbe 2004, p. 194-195.
EHRM 13 februari 2001, nr. 29731/96 (Krombach/Frankrijk); bevestigd in EHRM 31 maart 2005, nr. 43640/98 (Mariani/Frankrijk).
Onder vermelding van het hier uiteengezette besliskader heeft het EHRM allerlei modaliteiten van beroep vaak zonder meer toelaatbaar verklaard. Ik noem: cassatietoetsing (appeal on points of law);1 beperkte procedurele toetsing van een juryvonnis;2 de beperking tot een keuze tussen enerzijds een strafmaatberoep of anderzijds indiening van een juridisch beroep op specifiek afgebakende procedurele gronden (plea of nullity; Nichtigkeitsbeschwerde);3 beperking van de toelaatbaarheid van nieuw bewijs in beroep.4 De toelaatbaarheid van al deze modaliteiten voor rechtsmiddelcontrole maakt duidelijk dat de ruimte die het Explanatory Report aan de staten biedt, ook daadwerkelijk ruim uitpakt. De toetsing van het EHRM is in het leeuwendeel van deze zaken terughoudend en summier, zelfs abstract van aard. In plaats van stapsgewijze beoordeling van de verschillende hierboven uitgewerkte beperkingsvereisten, volstaat het Hof meestal met enkele feitelijke vaststellingen over de nationale beroepsprocedure om daarop vervolgens een stempel van goedkeuring te plakken, zonder nadere motivering. De beleefd geformuleerde conclusie van Trechsel, dat sprake is van een “rather restrictive interpretation” van artikel 2P7 EVRM, is ook de mijne.5
Van de circa tweehonderd zaken waarin het EHRM een klacht over artikel 2P7 EVRM heeft behandeld, is nochtans in ongeveer vijftien gevallen een schending vastgesteld. Het merendeel van deze schendingen betreft rechtsmiddelen vergelijkbaar met de ook door het CRM beoordeelde supervisory review. Als voorbeeld dient de zaak Galstyan/Armenië. Daarin gaat het om een man die in eerste instantie is veroordeeld tot drie dagen detentie voor ‘baldadigheid’ gepleegd tijdens de politieke demonstraties kort na de Armeense presidentsverkiezingen van 2003. Volgens de hier relevante Code of administrative offences is het oordeel van de rechtbank in beginsel finaal. Artikel 294 van deze wet bepaalt echter dat het veroordelende vonnis “can be quashed or modified by the judge himself upon a protest of the prosecutor and, whether or not such a protest is lodged, by the chairman of the superior court”. De mogelijkheid van modificatie van het vonnis door exact dezelfde rechter voldoet om evidente redenen niet aan het recht op beroep. Het Hof oordeelt voorts dat de gang naar de president van het hoogste gerecht “does not provide an individual with a clear and accessible right to appeal […]. [It] prescribes a power of review by the chairman of a superior court – whether or not upon the individual’s request – which, moreover, lacks any clearly defined procedure or time-limits and consistent application in practice. In the Court’s opinion, such a review possibility cannot be compatible with Article 2 of Protocol No. 7.”6 In verscheidene daaropvolgende Armeense zaken heeft het Hof dit oordeel steeds herhaald.7
Het EHRM maakt niet volstrekt duidelijk waarover het in deze zaken struikelt, de beknopte motivering laat ruimte voor verschillende mogelijkheden. Ten eerste lijkt het onaanvaardbaar dat het bestaan of de gebruikmaking van een recht op beroep aan de pure discretie van een bepaald orgaan is overgelaten. De uitoefening van controle is dan niet meer dan een gunst. Een tweede mogelijkheid is dat het Hof een schending ziet in het gebrek aan procedurele regels voor de behandeling van het beroep. Het Armeense beroepsorgaan kan – zo is dan de gedachte – niet als tribunal worden beschouwd, nu dat begrip veronderstelt dat dergelijke regels aanwezig zijn.8 Een laatste optie is dat het Hof geen vrede kan hebben met het feit dat in deze zaken de beoordeling in eerste aanleg finaal is en gezag van gewijsde krijgt. Die gedachte wordt bevestigd door de zaak Shvydka/Oekraine, waarin het EHRM voor het eerst en in opvallend algemene bewoordingen de dadelijke tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf afwijst op grond van het recht op beroep.9
In de reeds genoemde zaak Krombach/Frankrijk is om andere redenen een schending vastgesteld. De zaak vangt aan met een veroordeling in eerste aanleg in absentia (verstek). Na enkele malen tot aanwezigheid te zijn opgeroepen en verplicht, mocht Krombach op basis van de geldende verstekregeling in eerste aanleg niet door een advocaat worden vertegenwoordigd, terwijl tegen het veroordelende vonnis evenmin beroep openstond. Daarover klaagt hij. Het Hof stelt ten aanzien van de beperking op het recht op vertegenwoordiging een schending van artikel 6 EVRM vast. Bij de beoordeling van de klacht over het recht op beroep stelt het Hof voorop dat staten een ruime beoordelingsvrijheid hebben en bijvoorbeeld cassatie als review kan tellen.10 Dat is specifiek voor Frankrijk van belang omdat in bepaalde gevallen tegen rechtbankvonnissen enkel cassatie openstaat.11 Het Hof vervolgt echter met de vaststelling dat tegen sommige veroordelingen in absentia in Frankijk in het geheel geen beroep openstaat en voegt daaraan toe dat “[i]n the present case the applicant wished both to defend the charges on the merits and to raise a preliminary procedural objection. The Court attaches weight to the fact that the applicant was unable to obtain a review, at least by the Court of Cassation, of the lawfulness of the Assize Court’s refusal to allow the defence lawyers to plead. […] the applicant, on the one hand, could not be and was not represented in the Assize Court by a lawyer […] and, on the other, was unable to appeal to the Court of Cassation as he was a defendant in absentia. He therefore had no real possibility of being defended at first instance or of having his conviction reviewed by a higher court.”12 Schending van het recht op beroep in deze zaak lijkt mij evident, omdat er voor Krombach geen enkel rechtsmiddel openstond. Het is daarom opmerkelijk dat het Hof zoveel woorden gebruikt om de zaak af te doen. De overweging waarin gewicht wordt toegekend aan het feit dat een mogelijke schending van artikel 6 EVRM niet aan een hogere nationale rechter kon worden voorgelegd doet de vraag opkomen of het oordeel van het EHRM anders zou zijn uitgevallen als Krombach enkel over bewijs of strafmaat had geklaagd.