De bij dode opgerichte stichting
Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/3.2.1.4:3.2.1.4 Deelconclusie: wanneer is sprake van een uiterste wilsbeschikking tot oprichting van een stichting?
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/3.2.1.4
3.2.1.4 Deelconclusie: wanneer is sprake van een uiterste wilsbeschikking tot oprichting van een stichting?
Documentgegevens:
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232436:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hiervoor zijn de drie erfrechtelijke deelvragen ten aanzien van artikel 2:286 lid 1 BW behandeld. Deze vragen draaien allemaal om de kwestie hoe een stichting bezien van uit het erfrecht bij uiterste wilsbeschikking kan worden opgericht. Het betreft hier de stichting die onmiddellijk rechtspersoonlijkheid verkrijgt bij het overlijden van de erflater. Het blijkt dat dat het geval is als sprake is van een verklaring tot het oprichten van een stichting en deze oprichtingsverklaring is opgenomen in een notariële uiterste wil, in welk land dan ook opgemaakt, binnen de grenzen van artikel 1 van het Haags Testamentsvormenverdrag 1961, door een erflater als bedoeld in artikel 4:55 BW. Dan is sprake van een geldige uiterste wilsbeschikking in de zin van artikel 4:42 BW tot oprichting van een stichting. Kort samengevat: een notariële uiterste wilsbeschikking tot oprichting van een stichting opgemaakt door een daartoe bevoegde persoon.