Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/431
431 Rechtszaken in de Verenigde Staten na de Grote Depressie
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS371447:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Washington 1941, p. 736. Volgens Washington was de beoordeling van de bezoldiging van bestuurders in besloten vennootschappen gemakkelijk: “In such cases, the courts were dealing with ordinary human beings, not claiming unique abilities and powers. The amounts were well within the understanding of the judges, and the salaries previously received by the defendants usually constituted a ready measure of what they deserved.”
Zie hiervoor randnummer 222.
Zie Botany Worsted Mills v. United States 278 U.S. 282, 286, 292 (1929).
De belangrijkste arresten uit die tijd zijn Scott v. P. Lorillard Co., 154 A. 515 (N.J. Ch. 1931); Berendt v. Bethlehem Steel Corp., 154 A. 321 (N.J. Ch. 1931); Rogers v. Hill (Hill III), 289 U.S. 582 (1933); Gallin v. National City Bank, 273 N.Y.S. 87 (N.Y. Sup. Ct. 1934); Koplar v. Warner Bros. Pictures Inc., 19 F. Supp. 173 (D. Del. 1937); Epstein v. Schenck, 35 N.Y.S.2d 969 (N.Y. Sup. Ct. 1939); McQuillen v. National Cash Register Co., 112 F.2d 877 (4th Cir. 1940); Winkelman v. Gen. Motors Corp., 44 F. Supp. 960 (S.D.N.Y. 1942). Zie over de waste-doctrine zoals die al gold in die tijd Washington 1942, p. 266-292.
Washington 1941, p. 737.
Tot de jaren ’30 van de twintigste eeuw is de beoordeling van de bezoldiging van bestuurders door de rechter in de VS voornamelijk beperkt gebleven tot het domein van de ‘besloten’ vennootschappen.1 Rechtszaken die over dit onderwerp worden gevoerd, gaan voornamelijk over de vraag of er sprake is van bezoldiging of van verkapte winstuitkering aan aandeelhouders die tevens bestuurder zijn. Eenzelfde beeld zagen wij ook in Nederland.2
Een voorbeeld van een dergelijke zaak is Botany Worsted Mills v. United States uit 1929, waarin sprake is van een belastingkwestie. Op grond van het bonusplan van ‘Mills’ werd 32% van de nettowinst verdeeld onder de leden van de board – allen tevens aandeelhouders – bij wijze van bezoldiging. De vraag die aan de rechter voorlag was of deze kosten voor de belasting opgevoerd mochten worden als ‘ordinary and necessary expenses’, of dat zij aangemerkt dienden te worden als een verkapte dividenduitkering, verscholen in een bezoldigingsjasje. De rechter oordeelde dat de betalingen niet aftrekbaar waren. Daarbij liet de rechter de vraag ongemoeid of het feit dat een onredelijk hoog bedrag aan de bestuurders werd betaald kon leiden tot de conclusie dat er geen sprake was van ‘ordinary and necessary expenses’. Wel oordeelde de rechter dat er ten minste een relatie moest bestaan tussen de bezoldiging en de verrichte diensten om ervoor te zorgen dat de bezoldiging aftrekbaar was.
“It is clear, that extraordinary, unusual and extravagant amounts paid by a corporation to its officers in the guise and form of compensation […] having no substantial relation to the measure of their services and being utterly disproportioned to their value, are not in reality payment for services, and cannot be regarded as ‘ordinary and necessary expenses’.”3
Bestuurders en commissarissen van naamloze vennootschappen met een notering aan de beurs ontspringen, mede door de afwezigheid van openbaarmakingsverplichtingen, veelal de dans.
Het diepe dal waar de Verenigde Staten eind jaren ’20 in duikelen zorgt er echter voor dat de bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen de aandacht van het grote publiek krijgt. Bekend wordt dat bestuurders van de grote beursgenoteerde ondernemingen in de Verenigde Staten, voorafgaand aan de crisis, bedragen hebben ontvangen die de verbeelding te boven gaan, zonder dat aandeelhouders hiervan op de hoogte waren. Bij iedere bekendmaking stijgt de verontwaardiging, terwijl het land ondertussen steeds verder wegzakt in de economische malaise.
Verschillende aandeelhouders, verbijsterd over de hoge bezoldigingspakketten en furieus over de verliezen die zij zelf hebben geleden, verzoeken de rechter in te grijpen. Diverse rechtszaken zijn het gevolg. Als reden voor aanpassing en terugvordering van de bezoldiging leggen deze aandeelhouders aan hun vorderingen ten grondslag, dat de bezoldiging van de bestuurders ‘unreasonable and wasteful’ zou zijn. De bezoldiging, zo betogen zij, is aan te merken als niets meer dan een gift, waarvoor de goedkeuring van alle aandeelhouders vereist is.4 De keuze voor deze strategie is gebaseerd op de wijze waarop normaliter geprocedeerd wordt over de bezoldiging van bestuurders bij ‘besloten’ vennootschappen.
“Accordingly, the plaintiff stockholder generally framed his complaint in terms of self-dealing, actual or constructive fraud, and the receipt of excessive amounts: he then prayed for the type of relief so often granted in the closed corporation cases.”5