Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie
Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/10.5.4.1:10.5.4.1 Aansprakelijkheid van de officier van justitie (1991)
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/10.5.4.1
10.5.4.1 Aansprakelijkheid van de officier van justitie (1991)
Documentgegevens:
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS343665:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook: Westenbroek 2017a.
HR 11 oktober 1991, NJ 1993, 165 m.nt. C.J.H. Brunner en G.J.M. Corstens (Staat en Van Hilten/M).
Zie r.o. 3.3 en 3.4 en het daaraan ten grondslag liggende cassatiemiddel in r.o. 3.2.
HR 11 oktober 1991, NJ 1993, 165 m.nt. C.J.H. Brunner en G.J.M. Corstens (Staat en Van Hilten/M), r.o. 11.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het eerder aangehaalde arrest Staat en Van Hilten/M1 maakte de Hoge Raad duidelijk dat het feitelijk handelen van een natuurlijk persoon tot een normschending van de rechtspersoon kan leiden, zonder dat dit tevens een eigen normschending van de natuurlijk persoon impliceert. In deze zaak werden zowel de Staat als de officier van justitie persoonlijk tot schadevergoeding aangesproken op grond van onrechtmatige daad wegens een door deze officier van justitie bevolen maatregel ter beperking van de communicatie tussen een preventief gedetineerde en zijn advocaat. Die beperking werd later namelijk in strijd met de wet geoordeeld. De rechtbank wees de vordering toe, maar de Hoge Raad was het daar niet mee eens en overwoog:2
“Wanneer een orgaan van de overheid zich bij de uitoefening van de hem als zodanig opgedragen taak onrechtmatig gedraagt door zijn wettelijke bevoegdheden te overschrijden, zal deze gedraging slechts aan hem persoonlijk kunnen worden toegerekend indien zij aan zijn schuld is te wijten, dat wil zeggen: wanneer, gelet op de omstandigheden van het geval, hem persoonlijk een verwijt kan worden gemaakt. (…) Naar in cassatie mag worden aangenomen, heeft mr. Van Hilten zich tot het geven van dat bevel laten leiden door de in dit geding door de Staat en door hem verdedigde – hiervoor onder 3.2 onjuist bevonden – rechtsopvatting. Gezien de stand van rechtspraak en rechtsliteratuur dienaangaande kan niet worden gezegd dat deze rechtsopvatting ten tijde waarop mr. Van Hilten het gewraakte bevel gaf, zo onaannemelijk was dat hem een verwijt ervan kan worden gemaakt dat hij, uitgaande van die rechtsopvatting, dat bevel heeft gegeven. Ook blijkt niet uit de stukken van het geding dat M. heeft gesteld dat mr. Van Hilten zich niet alleen heeft laten leiden door voormelde – onjuist bevonden – opvatting omtrent zijn bevoegdheden, maar ook door motieven waarvan hem een verwijt zou kunnen worden gemaakt.” (onderstreping toegevoegd)
De officier van justitie had zelf dus in het geheel geen norm geschonden, maar de Staat wel. In zijn conclusie bij dit arrest overwoog A-G Koopmans3 uitdrukkelijk dat aangenomen moet worden dat voor de persoonlijke aansprakelijkheid van ambtenaren geen andere regels gelden dan voor de aansprakelijkheid van vertegenwoordigers van rechtspersonen in het algemeen.4 Het is in dat verband merkwaardig dat dit arrest in de rechtspraak over externe bestuurdersaansprakelijkheid geen rol van betekenis lijkt te hebben gespeeld. Dat had mijns inziens wel gemoeten. Dat het arrest geen rol heeft gespeeld, houdt mogelijk verband met het in de volgende paragraaf genoemde voorbeeld dat in gezaghebbende literatuur werd gebruikt en dat de gedachtevorming verder heeft beïnvloed.