Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie
Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/10.5.4.3:10.5.4.3 Buurmannen A, B en C (2013)
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/10.5.4.3
10.5.4.3 Buurmannen A, B en C (2013)
Documentgegevens:
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS352202:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook: Huizink 2009, p. 110.
HR 23 november 2012, NJ 2013, 302 m.nt. P. van Schilfgaarde en JOR 2013/40 m.nt. W.J.M. van Andel en K. Rutten (Spaanse Villa).
Willems 2013, par. 15.
Kortmann 1991, p. 62 en Van Schilfgaarde 1998, Van de BV en de NV, nr. 48.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ik ontleende het hiervoor in par. 10.5.4 genoemde voorbeeld van de buurmannen A, B en C aan opmerkingen die Willems maakte naar aanleiding van het arrest Spaanse Villa.1 Hij stelde dat, hoewel steeds een natuurlijk persoon/ bestuurder namens dan wel ten laste van de vennootschap een feitelijke handeling zal hebben verricht, rechtens steeds de vennootschap – niet de bestuurder – actief is en dat dit rechtens niet anders is dan te zeggen dat buurman A niet tegenover het slachtoffer (buurman C) aansprakelijk is voor de schade ten gevolge van een onrechtmatige daad van zijn buurman B (de rechtspersoon).2 ‘Doorbraak van aansprakelijkheid’ (van buurman B naar buurman A) behoefde volgens Willems een aparte rechtvaardiging en het motief voor deze vorm van doorbraak lag volgens hem in de opvatting dat rechtspersoonlijkheid niet mag worden misbruikt. In dit verband zou de ernstigverwijtmaatstaf (voor buurman A) zijn ontwikkeld.
De ernstigverwijtmaatstaf (of beter: de behoorlijke taakvervullingsnorm) is echter ontwikkeld op het gebied van interne bestuurdersaansprakelijkheid en ziet dus op de verhouding tussen buurman A (als bestuurder) en buurman B (als rechtspersoon). Het door Willems genoemde ‘misbruik’-criterium speelde in zijn voorbeeld echter juist in de verhouding tussen buurman A (de bestuurder) en buurman C. De hiervoor in par. 10.2.2 aangehaalde opzet of bewuste roekeloosheid, waar Van Schilfgaarde en Kortmann3 op doelden, moet dan ook zo worden begrepen dat de bestuurder (i) jegens buurman C ‘misbruik’ heeft gemaakt van zijn (vertegenwoordigings)functie die hij voor de rechtspersoon vervult en/of (ii) over (geobjectiveerde) wetenschap van benadeling van buurman C beschikte die verband hield met zijn eigen feitelijke schadeveroorzakende gedragingen.4 Anders gezegd, buurman A schendt persoonlijk een maatschappelijke betamelijkheidsnorm jegens buurman C. In dat geval is een hoge drempel voor aansprakelijkheid waarin de ernstigverwijtmaatstaf zou voorzien niet nodig, laat staan logisch. Immers, zolang buurman A jegens buurman C geen misbruik maakt van zijn bevoegdheid om buurman B te vertegenwoordigen of niet zelf een betamelijkheidsnorm schendt, is gelet op rechtspersoonlijkheid en rechtssubjectiviteit niet in te zien waarom hij jegens buurman C aansprakelijk zou moeten zijn, ook al treft hem wellicht in zijn verhouding tot buurman B een (‘ernstig’) verwijt. Uitsluitend buurman B is als vertegenwoordigde aansprakelijk voor de verbintenissen die door toedoen van buurman A tot stand komen. Uitsluitend buurman B is als vertegenwoordigde aansprakelijk voor een aan buurman B toegerekende onrechtmatige gedraging die ontstaat door de samengevoegde kennis en gedragingen van buurman A en andere betrokkenen bij buurman B.
Stel nu dat buurman A in het kader van de belangen van buurman B te lang op kantoor is gebleven om zodoende zijn taak behoorlijk te vervullen ex art. 2:9 BW. Stel voorts dat buurman A vervolgens met een te grote snelheid naar een klant van buurman B is gereden om wederom de belangen van buurman B te behartigen. Buurman A veroorzaakt een verkeersongeluk als gevolg waarvan buurman C schade lijdt. In dit geval zal de behoorlijke belangenbehartiging door buurman A ten opzichte van buurman B niet afdoen aan de persoonlijke aansprakelijkheid van buurman A jegens buurman C. In het perspectief van buurman C, die schade lijdt en een vordering instelt tegen buurman A op grond van art. 6:162 BW, is immers slechts het criterium van art. 6:162 BW van belang. Met andere woorden: de hoge drempel van de ernstigverwijtmaatstaf speelt in die verhouding geen rol.