Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/10.5.4.6
10.5.4.6 De Julianabrug in Alphen aan den Rijn (2015)
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS343667:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De stelling van Olden 2015 dat art. 6:170 BW voorziet in risicoaansprakelijkheid omdat het tegenover de werknemer niet billijk is om hem de schade te laten dragen is rechtstheoretisch dus evenmin juist, omdat art. 6:170 BW blijkens de wetsgeschiedenis geen afbreuk doet aan de mogelijkheid voor de derde om de werknemer die onrechtmatig heeft gehandeld zelf aan te spreken. In het geval dat de werkgever onvoldoende verhaal biedt of zelfs failleert, zal de schade de facto dus nog immer deels of volledig voor rekening van deze werknemer komen.
Tot slot, een vergelijkbare casus als de vorige – doch dan op waarheid gebaseerd – is toen op 3 augustus 2015 in Alphen aan den Rijn twee bouwkranen, die op een ponton stonden om een brugdeel van de Julianabrug te vervangen, instortten en tot een enorme ravage leidden met (gelukkig slechts) de tragische dood van een hond tot gevolg. De talloze werknemers die ten tijde van het ongeval ter plekke aan het werk waren, zullen ieder in feitelijke zin hebben bijgedragen aan het ongeluk, maar dat betekent niet dat hun persoonlijk een onrechtmatige daad kan worden verweten en dat zij aansprakelijk zijn. Let wel: als het ongeval was te wijten aan het per ongeluk niet goed uitvoeren van een op een specifieke werknemer rustende taak, dan zou dat anders kunnen zijn. Een en ander doet niet af aan de eventuele aansprakelijkheid ex art. 6:162 BW van de aannemer in wiens dienst de betrokken werknemers hun werkzaamheden hebben verricht,1 doordat de gezamenlijke kennis en handelingen van deze werknemers aan de aannemer worden toegerekend op grond van het toerekeningsleerstuk.